In gesprek met ….


Agnes Kombrink

Van rouwkleed naar glitterkleed


Een gesprek over verlies, geloof en herstel

We kennen elkaar van de zondagen, natuurlijk. Even zwaaien, een praatje in het voorbijgaan. Maar dit gesprek is anders. Dieper. Ik vind het mooi om mensen écht te horen; te zoeken naar hun getuigenis in het leven. Niet aan de oppervlakte blijven hangen, maar doorvragen. Vaak komen er dan verhalen naar boven waarvan je denkt: “Dat had ik achter diegene nooit gezocht.”

Een jeugd vol tegenstrijdigheden

“Heb je een leuke jeugd gehad, Agnes?”

“Geweldig,” zegt ze ironisch. “Laten we zeggen dat het thuis nooit saai was, maar ook niet bepaald een warm nest. De verhoudingen waren nogal… gecompliceerd.”

Haar biologische vader verdween plotseling uit het gezin, weggeregeld door de nieuwe man in haar moeders leven. Agnes was te jong om dit te begrijpen, maar groot genoeg om te zien dat het misging. Haar moeder liep overspannen rond. In die chaos gebeurde er iets wat Agnes’ jeugd voorgoed zou bepalen: de rollen werden omgedraaid.

“Parentificatie,” noemt ze het. “De moeder wordt de dochter en de dochter wordt de moeder.”

Als elfjarig meisje runde Agnes het huishouden en zorgde ze voor haar twee jongere zusjes. “Ik sleepte mijn moeder overal doorheen,” vertelt ze. Die zelfstandigheid werd door de buitenwereld geprezen, maar Agnes weet nu wel beter: “Het was uit nood geboren. Ik werd een pleaser, je doet alles om toch maar een sprankje aandacht of goedkeuring te krijgen.”

Het verlies van onschuld

Die onzekerheid tekende haar puberteit. Ze was angstig en probeerde onzichtbaar te zijn, ergens achter in de klas. Faalangst beheerste haar leven. “Een self-fulfilling prophecy,” zegt ze. “Ik dacht van tevoren al dat het me niet zou lukken, en dus lukte het ook niet.”

En toen kwam het misbruik. Door haar stiefvader. Het was niet de agressieve variant, maar ingepakt in een deken van valse liefde. “Heel verleidelijk,” herinnert Agnes zich. “Hij bracht het als voorlichting, heel liefdevol verpakt. Maar wat er gebeurde was natuurlijk puur geweld.” Hij nam bezit van een lichaam dat zij zelf nog niet eens had ontdekt. Ze was pas dertien, veertien jaar oud. Op haar zestiende wist ze: als ik kan verdwijnen, ben ik weg. Ze verliet het huis.

Een licht in de duisternis

De wending kwam via haar stiefzus. Die was tot geloof gekomen en kon nergens anders meer over praten dan over Jezus. Agnes, snakkend naar echte liefde maar vol argwaan, raakte er eerst alleen maar door geïrriteerd. “Als je nu niet ophoudt met die Jezus van je, kom ik nooit meer oppassen!”

Maar haar stiefzus bleef liefdevol. “Dat jij boos bent, snap ik wel. Dat is gewoon de duivel die nog even met zijn staart roert. Ik bid voor je, want Jezus heeft je lief.” In oktober 1972 knielde Agnes neer en gaf ze zich huilend over aan de Heer. “Alles werd helder,” vertelt ze. Het was een moment van een volkomen helderheid. Toen ik de volgende dag mijn moeder aankeek, wist ik het zeker. Jij bent mijn moeder niet meer. Ik was veranderd, maar zij bleef die bittere en afgewezen vrouw. Ze overleefde de oorlog als een gebroken mens en droeg die verwondingen de rest van haar leven met zich mee. Ze wilde er nooit over spreken.

Van verpleegster tot rouwcoach

Agnes koos voor de verpleging, bijna een logisch vervolg voor een kind dat al vroeg voor anderen moest zorgen. In haar werk zag ze veel verdriet, maar het grote persoonlijke verlies kwam pas later. Tijdens een nachtbidstond werd ze door Frits Nijenboer naast Teun gezet. “Zo, mijn kinderen…….,” zei de voorganger profetisch veelzeggend. Het bleek het antwoord op hun beider gebeden. Er volgde een gelukkig huwelijk, tot de ziekte van Parkinson toesloeg.

Een droom had haar al voorbereid. Ze zag zichzelf achter een rolstoel lopen en werd wakker met de vraag: “Was dat Teun?” Jaren later werd die droom de rauwe werkelijkheid. “God is mijn coach,” zegt ze over die zware periode. “Hij is de beste regisseur.”

De dubbele rouw

Twaalf jaar lang verzorgde Agnes haar man. Twaalf jaar waarin ze niet alleen rouwde om zijn aftakeling, maar ook om wat zijzelf verloor: de verbinding, de gesprekken, het samen-zijn. “De liefde bleef en werd zelfs sterker,” legt ze uit. “Maar de bereikbaarheid werd minder. Het contact was eenzijdig geworden.”

De onmacht bereikte een dieptepunt toen Teun over het hoge hek van het verzorgingshuis klom. Agnes werd gebeld door een zuster: “Hij staat aan de andere kant, we krijgen hem niet terug.” De teleurstelling in de zorg was enorm – zij wist als verpleegkundige immers precies hoe het beter had gekund.


Tijdens de coronaperiode moest Agnes achter het glas op afstand met Teun praten bij het verzorgingshuis
Glitter in de duisternis

De lockdown maakte haar wereld nog kleiner. Midden in die eenzaamheid stuurde haar kleinzoon een tekening: een groot hart, uitbundig voorzien met glitters. Bij het openen van de envelop zat haar hele schoot eronder. “Wat lief van dat joch, maar hoe krijg ik dit ooit weer weg?” lacht ze bij de herinnering.

Toen Martin Koornstra haar tijdens een onlinedienst toevallig “glitteroma” noemde, voelde dat als een bevrijding. “Daarin zag ik de liefde van de Heer. Het was een knipoogje uit de hemel; ik had het zo zwaar. Het glitterkleed werd de keerzijde van het rouwkleed. Beide mogen er zijn.”

Beproefd geloof

“Is je geloof beproefd?” vraag ik haar.

“Ik ben vooral teleurgesteld in hoe mensen omgaan met ziekte,” antwoordt ze eerlijk. “De onhandigheid… Mensen zeiden: ‘O, Teun heeft altijd voor jou gezorgd, nu mag jij voor hem zorgen. In goede en slechte tijden, toch Agnes?’ Of: ‘Je bent verpleegkundige, jij kunt dit wel.’ Maar ik had geen behoefte aan een beroep op mijn professionaliteit, ik had troost nodig voor mijn hart.”

Over genezing is ze helder. Er was ooit een profetie dat ze beiden genezen zouden worden. Teun stierf, maar Agnes begreep later: hij ís nu volkomen genezen. “Dat is het menselijke denken tegenover Gods denken.”

Alleen, maar niet verlaten

Nu is ze alleen. Soms is dat fijn, soms is het leeg. “Ik mis het delen. Na een preek of als er iets met de kinderen was, besprak ik dat in de auto naar huis. Dan was je het kwijt voordat je de drempel overstapte.”

Toch ervaart ze God juist nu heel dichtbij. “Hij zegt: ‘Ga nu eerst maar eens een kopje theezetten voor jezelf.’ En dan hoor ik: ‘Ik heb het je al vaker gezegd, maar ik zeg het nog een keer: Ik houd van je.'” De veilige hechting die ze als kind miste, vindt ze nu bij Hem.

Een missie geboren uit pijn

Agnes schreef een prachtig boek over de weg van rouw naar herstel. Tegenwoordig begeleidt zij als rouwcoach anderen die vastlopen in hun trauma of verlies. Professionele hulp is volgens haar een bittere noodzaak, omdat niemand zo’n zware last alleen kan dragen. Het is mijn diepe verlangen om dit eerlijke verhaal te delen. Ik wil mensen helpen de beweging te maken van rouw naar trouw. Dat is wat ik noem: leven spreken.

Haar droom voor de kerk? “Echte gesprekken. Geen vergaderingen, maar eerlijkheid. De waarheid maakt vrij, en dan pas komt er orde en rust. De rouwdeken mag eraf.” Ze kijkt me aan met een mengeling van hoop en realisme.

Thuiskomen

Van haar achttiende tot nu: er is veel veranderd. “Ben je rijker geworden?” vraag ik. “Jazeker, maar het is vooral een langzaam thuiskomen. En daar ben ik nog steeds mee bezig, met vallen en opstaan.”

Ze neemt niet meer alles van iedereen aan. Ze luistert selectiever en durft ‘nee’ te zeggen, al moet ze daar soms nog om kracht voor vragen. Agnes’ verhaal gaat over trauma en triomf, over rouw en glitter. Maar bovenal is het het verhaal van een God die niet loslaat. “Hij was al lang naar mij op zoek,” zegt ze over die dag in 1972. “Maar ja, ik moest wel even toestemming geven.” Die toestemming geeft ze nog elke dag. In de stilte, met een kopje thee, luisterend naar de stem die zegt: “Ik houd van je.” En dat is waar het uiteindelijk om draait.


Toen Agnes haar getuigenis ter correctie teruglas, kwamen de tranen bijna direct. Ze voelde diep in haar hart hoe trouw God is gebleven aan haar leven. Dat besef vervult haar met een enorme dankbaarheid.


@wimvanputten