
Willemijn de Weerd
Schrijven vanuit het gewone leven


Een gesprek over geloof, gezin en de kunst van het verhalen vertellen
Van onderzoek naar verhaal
Wanneer Willemijn aan een nieuw boek begint, duikt ze kopje-onder in de research. “Als ik over het Verscholen Dorp schrijf, lees ik werkelijk alles wat los en vast zit,” vertelt ze. “Er is zoveel naslagwerk. Voor ik het weet, zit ik in een bubbel waaruit langzaam een eigen verhaal tevoorschijn komt.” Maar daar schuilt direct een gevaar: de verleiding om álle feiten een plekje te geven.
Haar redacteur hield haar echter scherp: “Geschiedenisboeken vol details hebben we al genoeg. Jij moet een verhaal schrijven dat kinderen bij de kladden grijpt.” Het resultaat? Willemijn zette rigoureus het mes in haar teksten. “Wie de naakte feiten wil weten, pakt de naslagwerken er maar bij. Less is more, ik wilde terug naar de kern van het verhaal.”
Opgegroeid tussen twee werelden
Willemijn groeide op in Lochem, als tweede in een rijtje van vier. “Een echte Achterhoeker ben ik nooit geworden,” lacht ze. “Mijn ouders kwamen uit Dordrecht; we bleven in de Achterhoek altijd een beetje ‘import’.” Haar ouderlijk huis was een bijzondere smeltkroes: haar vader was rooms-katholiek, haar moeder reformatorisch. “Dat zorgde voor flinke contrasten tussen de families onderling.”
Die spanning tussen verschillende werelden werd de rode draad in haar leven. Ze ging naar reformatorische scholen zoals De Fruytier en De Driestar, maar kerkte in een Christelijk Gereformeerde Kerk in Zutphen. “Mijn opa en oma zaten in een heel behoudende kerk, terwijl Zutphen zo ongeveer het meest progressieve was wat je binnen dat kerkverband kon vinden. Dezelfde naam op de gevel, maar een wereld van verschil.”
Het constante schakelen tussen die werelden – de school, de kerk, haar zaterdagbaantje – heeft haar blik verruimd. “Ik leefde niet in één afgeschermde bubbel. Het dwong me om overal over na te denken.”
Een veilig nest
Over haar jeugd spreekt ze met een voelbare tederheid. “Ik ben enorm omringd met liefde. Dat die basis er was, dat ik me onvoorwaardelijk geliefd wist door mijn ouders, is een groot geschenk.” Ze genoot van de vrijheid: het bos voor de deur, een hechte vriendinnengroep. “Bij ons thuis kon iedereen aanschuiven voor een hamburger. De deur stond altijd open.”
Was ze een lastige puber? “Totaal niet. Mijn broer en zusje hebben de boel thuis flink op stelten gezet, maar voor mij was die tijd vooral een periode van zelfontwikkeling en reflectie. Dat deed ik binnen de kaders die voor mijn ouders prima waren. Die veiligheid gaf haar de mogelijkheid om jong op eigen benen te staan. Op haar zeventiende vertrok ze al naar een studentenflat in Gouda voor haar studie aan de Pabo. “Achteraf denk ik: wat was ik nog jong. Maar destijds voelde ik me er helemaal klaar voor.”
Zoeken naar God
Al op jonge leeftijd voelde Willemijn een diep verlangen naar God, al werd daar thuis niet veel over gepraat. “Mijn vader is een binnenvetter, zeker als het op zijn gevoel aankomt. En mijn moeder had vanuit haar opvoeding ook niet meegekregen hoe je over persoonlijk geloof praat. Daar werd simpelweg gezwegen.”
De ommekeer kwam door haar vriendschap met Annemarie, die ze op De Fruytier leerde kennen. “Ik had zo’n behoefte om de dingen te duiden, woorden te geven aan wat ik voelde.” Samen gingen ze naar de Pabo en bezochten ze bijbelstudies. “We praatten urenlang over wie God voor ons persoonlijk was. Ik vond dat heerlijk.” De rode draad in haar leven werd helder: “Ik wil bij God horen. Als kind dacht ik al bij alles: wat zou God hiervan vinden? En wat vind ik er eigenlijk zelf van?”
Jong moederschap en de genade van het vasthouden
Op haar 22e trouwde ze met Wilfred, haar eerste grote liefde uit de kerk in Zutphen. Twee jaar later was ze moeder. “De eerste drie kinderen kwamen kort achter elkaar. Het was een tropentijd.”
In die jaren van chronisch slaapgebrek leerde ze een fundamentele les. “Het verlangen was er nog wel, maar ik was zo ontzettend moe. Ik vroeg me oprecht af waar mijn enthousiasme voor God was gebleven.” Ze ontdekte dat geloof niet synoniem is aan een vlammend gevoel. “Op de Pabo draaide alles om beleving en ervaring. Maar als jonge moeder merkte ik: God laat niet los, ook niet als ik alleen maar uitgeput kan zijn. Hij houdt mij vast, hoe dan ook.”
Schrijfster tegen wil en dank
Dat ze ooit boeken zou schrijven, had ze zelf nooit bedacht. “Als je me dat vroeger had gevraagd, had ik gezegd: ‘Dat past helemaal niet bij mij.’ Mijn plek is tussen de kinderen, voor de klas.”
Toch begon het op de Pabo, waar ze samen met Annemarie voor een opdracht een boek schreef. “Ik vond er aanvankelijk niet eens zoveel aan,” geeft ze eerlijk toe. Maar de school was enthousiast en iemand stuurde het manuscript naar een uitgever. “Voor ik het wist, werd het uitgegeven en was ik plotseling ‘schrijfster’.” Toen het tweede boek, Het Hoogste Woord, dat ze samen schreef met Annemarie, ook nog eens een prijs won, begon het te dagen. “Ik dacht altijd dat ik voor de klas moest staan, maar blijkbaar liep de weg anders.”
Haar kracht bleek haar observatievermogen. “Ik hou van mensen, van het kijken naar wat er tussen hen gebeurt. Recensenten schreven dat ik heel dicht bij de belevingswereld van een kind kom. Toen dacht ik: ja, dit is wie ik ben.”
Schrijven vanuit de praktijk
Willemijn schrijft over wat ze ziet en beleeft. “Ik ben met mijn kinderen meegegroeid. Toen zij klein waren, schreef ik over kleuters. Later over pubers. Die pubergids verscheen pas toen ik er hier thuis drie doorheen had geloodst.” Ze weigert te schrijven over zaken die ze zelf nog niet heeft doorleefd. Dat geldt ook voor haar boeken voor volwassenen. “Die ontstaan uit de vragen waar ik zelf tegenaan loop, of uit de verhalen die ik hoor tijdens retraiteweekenden voor vrouwen. Als ik merk dat iets breed leeft, dan wil ik daar dieper in duiken.”
Opvoeden als zoektocht
Hoewel haar eigen jeugd soepel verliep, weet ze dat opvoeden soms ook ploeteren is. Met vier kinderen ziet ze alle uitersten: van het kind dat braaf de kaders volgt tot het kind dat het even niet weet met God, maar die nog wel ‘mee moet’ naar de kerk. Ook een andere dochter heeft zo’n periode gehad, maar God liet haar niet los.”
Lange tijd aarzelde ze om een opvoedboek te schrijven. “Ik dacht dat je dat pas mocht doen als je de wijsheid in pacht had. En dat gevoel heb ik nooit gehad.” Juist die kwetsbaarheid werd haar ingang. “Het is een voortdurende zoektocht. De ene keer sla je de plank mis met een te harde grens, de andere keer besef je dat je meer in de verbinding had moeten investeren. Ik sta op opvoedavonden niet als de autoriteit, maar als een zoekende ouder tussen de andere ouders.”
De schone schijn van het perfecte plaatje
Willemijn ziet hoe veel ouders gebukt gaan onder de druk van sociale media. “Daar zie je alleen de succesverhalen en de gestileerde foto’s. Ik deel daar ook niet mijn diepste gezinsperikelen; dat is daar simpelweg niet de plek voor.”
Maar de kerk, die zou volgens haar wel die veilige haven moeten zijn. “Daar moeten we tegen elkaar kunnen zeggen: ‘Ik vind het zwaar’ of ‘Mijn tiener wil niet meer’. Het gaat erom dat we voor elkaar bidden. Dat is de essentie van gemeente-zijn.”
Identiteit en loslaten
Een grote persoonlijke vraag voor Willemijn was: “Laat ik mijn identiteit bepalen door hoe mijn kinderen het doen, of door wie God voor mij is?” Ze verdiepte zich in de bijbelse verhalen van Jochebed, de moeder van Mozes, en Rebecca. “Jochebed liet haar kind letterlijk los in een mandje op de Nijl. Haar naam betekent ‘Gods eer’. Het gaat uiteindelijk niet om mijn succes als moeder, maar om de eer van God. Dat geeft de ruimte om je kinderen uit handen te geven.”
Ook in haar succes als schrijfster zoekt ze die balans. “Ik geniet enorm van mijn werk, maar in de stilte bij God stel ik mezelf de vraag: ‘Stel dat dit morgen stopt, ben ik dan nog steeds wie ik ben? Is dat genoeg?’ Ik wil niet dat mijn waarde afhangt van het podium waarop ik sta. Een podium is link; je kunt er ook vanaf vallen. Ik ben ook maar een struikelende gelovige die leeft van genade.”
Het eerlijke verhaal
Willemijn is zich bewust van haar verantwoordelijkheid. “Je moet goed nadenken over welke verhalen je deelt. Ik wil eerlijk zijn, maar ik wil de ander ook beschermen. Ik heb een hekel aan mensen die over de rug van anderen hun succes op een podium bouwen. De mensen over wie je vertelt, hebben vaak geen kans om hun kant van het verhaal te laten horen.”
Als mensen tegen haar zeggen dat bij haar ‘alles lijkt te slagen’, grijpt ze direct in. “Dan denk ik: heb ik dan niet duidelijk genoeg verteld dat ik ook maar wat probeer? Wie mij echt wil kennen, moet niet naar mijn sociale media kijken, maar dichterbij komen.”
De kracht van verbinding
Het leven is soms pijnlijk kwetsbaar, zag ze van dichtbij toen de man van haar beste vriendin overleed. “Op die momenten, in die diepe rouw tot aan de begrafenis, is God aanwezig. Dat is bijna niet in woorden te vangen.” Ook doet het haar pijn als ze ziet hoeveel schade mensen oplopen die in hun jeugd niet gezien zijn. “Dat dragen mensen een leven lang mee. Dat vind ik dieptriest.”
In de Bijbel vindt ze de erkenning voor die gebrokenheid. “Op sociale media poetsen we de werkelijkheid net zo lang op tot ze blinkt, maar de Bijbel laat ons het leven zien zoals het werkelijk is: ongefilterd, kwetsbaar en echt. “Er is pijn, er is verdriet, maar er is ook een God die je bij de hand neemt. Vooral de Psalmen zijn me lief; daar is alle ruimte om te klagen. Dat mag er gewoon zijn.”
Geen hokjes, maar één kerk
Willemijn laat zich niet graag in een hokje plaatsen. Ze spreekt in de meest uiteenlopende kerken. “Ik kan met evenveel liefde psalmen zingen in een behoudende gemeente als me thuis voelen in een evangelische setting. Ik geniet van de verscheidenheid.”
Als mensen vragen waar ze bij hoort, is haar antwoord steevast: “Ik hoor bij de Kerk van Christus. Ik voel me verbonden met iedereen die dezelfde Heer belijdt. Het stuit me tegen de borst” dat onderlinge gekissebis. Waarom zouden we elkaar afvallen? We zijn broers en zussen. We horen bij elkaar.”
God in het alledaagse
Willemijn houdt van ‘gewone’ mensen. Mensen zoals Wilfred, waar ze al 26 jaar mee getrouwd is. Haar vriendin Annemarie, met wie ze al dertig jaar oploopt en aan wie ze niets hoeft uit te leggen. En andere vriendinnen die ze heeft. Ze voelt zich ook verwant aan haar schrijfcollega’s Ingrid Plantinga en psychologe Michelle van Dusseldorp. “Zij geven woorden aan hoe je God vindt in de dagelijkse dingen. Zij vertalen de Bijbel naar het hier en nu, zodat je er vandaag echt iets aan hebt.”
Een geleid leven
Als ze terugblikt, ziet ze een pad dat stap voor stap vanzelf is ontstaan. “Ik ben nog steeds blij met de Pabo, en nog steeds heel gelukkig met Wilfred. De keuze om veel thuis te zijn toen de kinderen klein waren, zou ik zo weer maken.”
Haar schrijverschap voelt als iets dat haar is overkomen, bijna als een roeping. “Ik neem die taak serieus. Als ik een bijbelstudie schrijf, wil ik recht doen aan Gods Woord.” Ze ziet een parallel met haar vader, de meubelmaker. “Als hij een tafel maakt, doet hij dat met hart en ziel, met vakmanschap. Dat probeer ik ook in mijn werk te leggen. Maar uiteindelijk ligt mijn identiteit niet in die ’tafel’, maar in God. In Zijn genade. En dat is genoeg.”
@wimvanputten