In gesprek met ….


Een gesprek met Elsa Waljaard

“Je hoeft geen bekeringsdag te hebben”

Waarom een officiële bekeringsdag voor Elsa nooit nodig was.

Elsa Waljaard groeide op in een voorgangersgezin in Zaandam. Haar ouders, Piet en Paula, waren verbonden aan de pinksterstroming ‘Kracht van Omhoog’, die in de laatste decennia van de vorige eeuw grote bekendheid had met een flink aantal verbonden gemeenten. Haar vader schreef artikelen, sprak op conferenties en had daarnaast een fulltimebaan — want betaald werd het voorgangerschap destijds niet. Haar moeder Paula, van Deense afkomst, was thuis. Dat gaf stabiliteit, al was het leven in zo’n gezin niet zonder druk.

“Er rust een bepaalde druk op je als je in een voorgangersgezin opgroeit,” vertelt Elsa. “Soms ook geestelijk. Ik herinner me een jaar waarin we zeven auto-ongelukken kregen. Toen zeiden we echt tegen elkaar: hier moet hard voor gebeden worden.”

Toch kijkt ze positief terug op haar jeugd. Haar broers kijken er iets anders op terug, maar dat wijdt ze deels aan karakterverschillen. “Als ik een preek hoorde, kwam ik blij thuis. En één van hen kwam dan best gedeprimeerd thuis. De één ervaart het als een ‘moeten’ en krijgt stress, de ander niet. Je beleeft het echt verschillend.”

Ze ging regelmatig met haar vader mee als hij ergens moest spreken. Ze bewoog mee, in plaats van dat ze zich verzette. Haar broers hebben in die tijd wel aandacht gemist. “De één meer dan de ander,” zegt ze eerlijk. “Uiteindelijk gaat het om een stukje erkenning en gezien worden. Maar dat wordt ingewikkeld zodra het ook aan God gekoppeld is.”

Een geloof zonder bekeringsdag

Elsa’s geloof was nooit iets wat ze hoefde te zoeken of te veroveren; het zat er simpelweg altijd al in. Dat zorgde soms voor verwarring, zelfs bij de volwassenen om haar heen. Ze herinnert zich dat ze als meisje van een jaar of acht meeging met een groep leiders. Iemand zei dat ze zich netjes moest kleden om zichzelf te presenteren en waarde uit te stralen. Elsa begreep er niets van. “We zijn hier toch gewoon? Wie kun je nou anders zijn dan jezelf? Jezus houdt toch van mij zoals ik ben?” Op zulke momenten merkte ze dat ze de kern van het geloof eigenlijk beter vatte dan de volwassenen.

Dat naïeve geloof bleef haar trouw, maar op haar achttiende begon het toch te knagen. In alle boeken las ze namelijk over een ‘bekeringsdag’, en die had zij niet. “Dus ben ik naar het Noordzeekanaal gefietst en op een steen gaan zitten. ‘Oké,’ zei ik, ‘vandaag geef ik mijn leven aan U. Nu heb ik een officiële datum.'” Ze lacht erom. “Achteraf bezien had ik dat helemaal niet nodig. Het zat allang diep vanbinnen.”

Creativiteit als roeping

In de evangelische beweging van haar ouders was het Woord alles: het gesproken woord, het geschreven woord. Creativiteit was een randverschijnsel, hooguit bedoeld voor een jeugdactiviteit of een evenement buiten de dienst om. Elsa kon daar niet mee uit de voeten. “Ik dacht: hoe kunnen we op zondagochtend zo saai in de kerk zitten? Dat ging er bij mij niet in. We doen heel braaf en daarna gaan we pas weer onszelf zijn. Dat vond ik onnatuurlijk.”

Ze ging op onderzoek uit: wat zegt de Bijbel eigenlijk over creativiteit? Op haar zeventiende vertrok ze met haar eigen spaargeld naar Engeland voor een mimecursus. Het jaar daarna volgde een dramacursus in Zweden, en toen ze hoorde dat de Amerikaanse Todd en Marilyn Farley naar Nederland kwamen om les te geven, sloot ze direct aan. “Zij waren echt de top. Een bijbels fundament gecombineerd met onwijs hard werken aan je vak. Dat ben ik vanaf dat moment blijven volgen.”

Haar ouders stonden daar gelukkig voor open. Haar moeder zei weleens: “Vertel het maar niet aan oma, want die mocht vroeger niet eens thuis fluiten.” Zo streng was het destijds in sommige kringen. Maar niet iedereen deelde die openheid. Tijdens een kampweek mocht Elsa op het laatste moment een dansoptreden met vier tieners niet doen. Te ongebruikelijk, vond de leiding. “Ik kreeg bijna een strafzaak over me heen,” grapt ze. “Maar ik wist: zij hebben het mis.”

Ze rebelleerde niet, maar koos haar eigen pad. Ze schreef haar eigen cursussen en bood die buiten de kerkelijke structuren aan. Samen met Gert van de Vijver, Sonja Blok (Smalheer) en nog enkele anderen reisde ze naar landen als Zweden, Noorwegen en Denemarken om les te geven. Toch merkte ze dat creativiteit vaak als tweederangs werd gezien. “Op een bijbelschool sliep ik op een matras in de keuken, terwijl de andere docenten in een hotel zaten. Creativiteit is leuk ‘voor erbij’, maar je wordt niet als een volwaardige docent beschouwd.”

Toch gaf ze niet op. Ze wist waarvoor ze het deed. “Toen ik zeventien was, vroeg God me: ‘Wil jij Mij ongekend en ongezien dienen?’ Ik zei niet meteen ja, maar uiteindelijk wel.”

Nuance als teken van volwassenheid

Elsa is inmiddels jaren onderweg en dat zie je terug in haar wereldbeeld. Haar geloof is niet vervaagd, maar wel genuanceerder geworden. Ze spreekt tegenwoordig in veel verschillende kerken, waaronder ook PKN-gemeenten, en kiest haar woorden daar zorgvuldig. “Ik beweeg mee. Ik ga mensen niet opzadelen met ‘mijn’ taal als ik weet dat het hen niet bereikt. Maar ik ben wel duidelijk: als mijn manier van het Woord verkondigen jullie niet aanstaat, hoef je me niet meer uit te nodigen. Even goede vrienden.”

Ook over het profetische heeft ze soms haar bedenkingen gekregen. “Er wordt weleens in samenkomsten geroepen: ‘Kom nu naar voren, want de Geest is aanwezig!’ En zelf ervaar ik dan helemaal niets. Dan kijk ik achterom en zie ik dat negentig procent van de zaal gewoon blijft zitten.” Ze ziet mensen opstaan uit angst dat ze iets missen. “Dan denk ik: ach, die lieve mensen. Tegelijkertijd geloof ik wel degelijk in het profetische.”

In Schotland, tijdens een conferentie waarbij Elsa betrokken was, werd dat verschil pijnlijk duidelijk. Terwijl haar medesprekers/collega’s na de dienst de zaal in gingen voor gebed en genezing voor de aanwezigen, bleef Elsa rustig zitten. Achterin zag ze twee tieners. Ze liep naar hen toe en ging er gewoon naast zitten. Een teamlid reageerde geïrriteerd: “Je doet niks, je zit daar maar.” Later spraken ze het uit. “Ik moet niet functioneren vanuit een zalving die ik niet heb. Dit is hoe ik werk.”

Wandelen als methode

Hoewel Elsa onlangs een opleiding tot wandelcoach afrondde, wandelt ze eigenlijk al haar hele leven met mensen. De studie gaf haar enkel de structuur en de namen. “Ik houd van leren. Nu werd het officieel: doelstellingen, gespreksvormen, methodiek.”

Wandelen werkt volgens haar fundamenteel anders dan een gesprek aan tafel. “Zeker voor jongeren is oogcontact soms te confronterend. Naast elkaar lopen praat veel fijner.” Om diezelfde reden reed ze in de jaren van danslessen en optredens ook veel met tieners in de auto. “Je kijkt allebei vooruit. Dan wordt er ineens van alles gedeeld.”

Na haar studie wandelcoaching kreeg ze direct twee complexe casussen: een meisje dat psychisch volledig was vastgelopen en een transgender-traject waarbij de ouders vroegen of Elsa hun kind kon ‘fixen’. “Ik zei direct: nee, dat ga ik niet doen. Maar ik ben wel gaan wandelen met ze en heb er veel van geleerd. Ik had de antwoorden ook niet.” Ze viel terug op haar basis: wandelen, aanwezig zijn, zonder de druk van een formeel kader.

Het Nederlandse ‘fixen’

Een van Elsa’s grootste drijfveren is de manier waarop we in Nederland omgaan met lijden. We willen het oplossen, verklaren, of er een bijbeltekst op plakken. “We hebben hier in Nederland veelal geen antwoord op lijden. Ook ongelovigen niet. We willen het fixen en het lijden zoveel mogelijk vermijden.”

Ze schreef er, samen met anderen, theaterstukken over, zoals Teken het leven, waarin ze de vraag stellen of je als gelovige nog wel mag twijfelen. “In veel kringen mag dat niet; dan ben je direct ‘heen en weer geslingerd’. Maar mag je ook gewoon rouwen? We hebben vaak geen verklaring voor de pijn.” Ze haalt een citaat aan dat haar altijd is bijgebleven: “De westerling vraagt: waar is God in mijn lijden? De oosterling zegt: er is lijden, maar God is erbij.”

Het ongeluk dat alles veranderde

Op haar eenentwintigste kreeg Elsa een zwaar auto-ongeluk. Ze liep een dubbele whiplash op die destijds niet werd herkend. Het ziekenhuis stuurde haar naar huis met de boodschap dat het na drie weken wel over zou zijn. Dat was het niet. Vijf jaar lang zocht ze tevergeefs naar hulp, terwijl men suggereerde dat het ’tussen haar oren’ zat.

“Ik was gymlerares. Ik kwam huilend thuis en ging huilend naar mijn werk. Vijf jaar lang.” Toen de diagnose eindelijk kwam, sliep ze zes weken bijna aan één stuk door. De realiteit was hard: een vaste baan was te zwaar. Ze moest haar eigen tempo bepalen. Er werd een stichting opgericht en ze ging leven van giften. “Ik dacht: wat kan ik nog wél? Bewegen is goed voor mijn lijf. Praten en bewegen, dat is de kern.”

Ze maakte er haar werk van. “Met het idee: satan, jij hebt geprobeerd me onderuit te halen, maar ik ga door en keer dit ten goede.” Ze weet niet hoe haar leven was gelopen zonder dat ongeluk. “Ik kan er geen spijt van hebben. Het is onderdeel van wie ik ben.”

Maandag tot en met zaterdag

Elsa gelooft heilig in het geloof van de doordeweekse dag. “Zondag is een feest, een moment om God te danken. Maar het echte leven vindt plaats van maandag tot en met zaterdag. Daar ligt mijn passie.”

Ze wandelt elke dag, ongeacht het weer, speelt gitaar en past regelmatig op haar kleinneefjes en -nichtjes. Daarnaast was ze jarenlang actief in de lokale politiek. Ze sprak met burgemeesters en wethouders van alle gezindten. “De politiek is de makkelijkste plek om christen te zijn. Je komt uit voor de ChristenUnie; het stempel staat al op je voorhoofd.”

Wat ze daar vooral leerde? Spreken via de voorzitter. “Heerlijk is dat. Je kunt de felste aanval doen en daarna gewoon een biertje drinken met diezelfde persoon. De kerk zou daar veel van kunnen leren.” Maar ze wist ook wanneer het klaar was. “Ik ben pragmatisch. In de politiek moet je plannen maken voor over tien jaar. Zo zit ik niet in elkaar. Het was een leerzame tijd, maar op een gegeven moment was het seizoen voorbij.”

Jezus als fundament

Aan het einde van elk gesprek, en misschien wel aan het einde van elk leven, blijft er volgens Elsa maar één ding over. Geen vroom cliché, maar een nuchtere observatie.

“Of het nou goed gaat of slecht, of iemand nou gezond is of terminaal: uiteindelijk wordt het kringetje heel klein. En dan blijft eigenlijk alleen Jezus over.” Ze zegt het tegen haar buren en tegen mensen in diepe pijn. Niet als een kant-en-klaar antwoord, maar als een diepe waarheid. “Ik blijf dat getuigen. Maar ik vraag er altijd bij: wat kan ik op dit moment voor je doen?”

Dat is Elsa Waljaard: iemand die gelooft met haar hele wezen. Die wandelt, danst, schrijft en vraagt — altijd vraagt — wat de ander nodig heeft.


@wimvanputten

Naar
Startpagina