In gesprek met ….


In gesprek met Wanda Verbeek

Een leven lang zorgen voor de ander

De Dorsslede van Wanda Verbeek

Vandaag was ik te gast bij Wanda Verbeek, die psychosociale therapie geeft aan zowel volwassenen als tieners. Ze ontving me hartelijk in haar gezellige woonkamer, waar ze in de aanbouw een speciale ruimte heeft ingericht voor haar cliënten, waar tot nu toe echter nog nooit een cliënt heeft gezeten. Ze zitten liever aan de lange tafel in het midden van de huiskamer. En ja, ik mocht op dé bank plaatsnemen. Tegenover mij nam Wanda plaats in de fauteuil van de therapeut. Maar het werd natuurlijk geen therapiegesprek, maar een enorm boeiend gesprek over haar leven, haar geloof en haar visie op hulp aan mensen — in de samenleving én in de kerk.

Ik vertelde haar dat ik dit uiteraard zou gaan vermelden: dat ik de primeur had om op de cliëntenbank te zitten. En dat ik nog maar net niet onderuitgezakt lag, zoals Freud dat vroeger verlangde van zijn patiënten. Wanda lachte: “Gelukkig zijn we een heleboel beter ontwikkeld sinds die tijd.”

Geloof van huis uit

Wanda groeide op in een gezin waar het geloof altijd aanwezig was. Haar moeder was al gelovig, maar de grote omslag kwam toen haar vader op zijn dertigste radicaal tot geloof kwam. Het gezin verruilde de traditionele kerk voor een evangelische gemeente (de ECG en later de ACG), waar Wanda zich meteen thuis voelde.

Haar eigen ‘geloofsmoment’ kwam via een droom toen ze een jaar of zeven was. Ze droomde over een speeltuin vol spelende kinderen met Jezus in het midden. Er stond een groot hek omheen en Wanda stond aan de buitenkant; ze wilde er zo graag bij horen. Jezus zei tegen haar: “Dan mag je je hart aan Mij geven.” Ze werd wakker, rende naar haar vader en zei dat ze nu meteen haar hart aan de Heer wilde geven. Samen knielden ze neer in gebed. “Ik kan het nog precies voor me zien,” vertelt ze. Het was een moment dat de koers van haar leven bepaalde.

Dat God spreekt door dromen kennen we uit de Bijbel — denk aan Jozef, een van de twaalf zonen van Jakob, of Jozef, de vader van Jezus. Het is bijzonder om te horen dat het nog steeds zo werkt, ook in het leven van een klein meisje in een gewoon Nederlands gezin.

Een hart voor de zorg

De drang om te zorgen zat er bij Wanda al vroeg in. Voor Sinterklaas vroeg ze steevast om ziekenhuisjes en dokterssets. Ze wist al jong wat ze wilde worden. Haar vader was verpleegkundige in het ziekenhuis en werkte later als leidinggevende bij het Tot Heil des Volks, een hulpverleningsorganisatie. Haar moeder was verzorgende en ook Wanda en haar zus kozen voor de verpleegkunde. De appel valt niet ver van de boom. Ze werkte jarenlang op de afdeling chirurgie van het Amstelland Ziekenhuis, waar ze met veel liefde en toewijding zorgde voor mensen met ernstige aandoeningen zoals borstkanker. “Ik deed het met volle overgave,” blikt ze terug. Het was pittig werk, maar het paste haar als een jas.

Pleegkinderen en een onverwachte roeping

In 2007 nam het leven van Wanda en haar man Michiel een onverwachte wending. Via een zorgcaravan in het dorp — een plek waar jongeren tussen het stappen door even binnenliepen voor een gesprek — ontmoetten zij een zwanger tienermeisje. Wanda en Michiel boden bijna impulsief aan om voor het baby’tje te zorgen.

Twee jaar later ging de telefoon op een donderdag, terwijl Wanda met haar gezin in Frankrijk op het punt stond in een kano te stappen. “Wil je nog steeds voor een baby zorgen?” Ze zeiden ja. Zondag kwamen ze thuis en maandagochtend om tien uur was er een baby in huis.

Zo begon een periode van crisisopvang voor baby’s die, vanwege de veiligheid, op een geheim adres moesten worden geplaatst. Niemand wist dat de kleintjes bij hen waren. De jongste pleegdochter, Noortje, was pas twee dagen oud toen ze kwam. Wij hebben haar mogen zien opgroeien; ze is door ons geadopteerd en het is een fantastische meid.

Van fysieke zorg naar psychosociale therapie

De overstap van verpleegkunde naar psychosociale zorg verliep geleidelijk. Een belangrijk keerpunt was haar ontmoeting met Christa Rosier in 2010. Christa was niet alleen bekend van de Evangelische Omroep, waar zij werkzaam was als omroepster; daarnaast was ze kunstenares en had ze een gebedsbediening voor mensen met geestelijke nood. Wanda worstelde jarenlang met zware nachtmerries en dacht dat het haar eigen schuld was — dat ze niet hard genoeg haar best deed of een ‘betere’ christen moest zijn. Christa was de eerste die met haar bad voor bevrijding, waarna de nachtmerries stopten.

Wanda merkte echter ook iets op: na een bevrijdingstraject bleven mensen vaak achter met verdriet en diepgewortelde patronen die je niet simpelweg ‘wegbidt’. “Soms is gebed hard nodig, maar iemands wonden of patronen kun je niet wegsturen.” Ze begon mensen te begeleiden met pastorale zorg, maar liep al snel tegen haar grenzen aan. Wat doe je met een zware depressie, ernstig trauma of hyperventilatie?

Het doorslaggevende besluit kwam tijdens een gesprek met de buren, toen haar een vraag werd gesteld: “Wat zou je morgen doen als je geen angst meer had?” Er waren namelijk allerlei bezwaren en obstakels: ze had een gezin met opgroeiende kinderen, en verder tijd, een baan en niet te vergeten de kosten. Maar Wanda hoorde zichzelf zeggen: “Dan ga ik psychologie studeren.” Die nacht lag ze wakker. De maandag erop schreef ze zich in bij De Roos (tegenwoordig bevinden zij zich op de CHE in Ede). Zo groeide ze stap voor stap naar haar huidige praktijk.

Loslaten van oude beelden

Haar geloof is door de jaren heen fundamenteel veranderd. Ze noemt een paar overtuigingen die ze door de jaren heen heeft mogen loslaten en die in kracht zijn afgenomen. (Ik wilde dat ik er nooit meer last van had, maar dat is niet waar; ik wil wel eerlijk blijven. 😊)

  • De christen moet alleen maar strijden: Ze dacht altijd de beste soldaat in Gods leger te moeten zijn. Hard werken, wapenrusting aan, nooit verslappen. “Je werd er doodmoe van.”
  • Jezelf oppoetsen voor God: Het idee dat je eerst ‘op orde’ moet zijn voordat God je accepteert. Terugkijkend herkent ze dat haar behoefte om te pleasen samenhangt met de dynamiek van haar jeugd, waarin ze gevoelig werd voor stemmingen en verwachtingen. “Dat beeld projecteerde ik op God.” Inmiddels weet ze dat Gods liefde onvoorwaardelijk is.
  • Het als-dan-denken: “Als ik braaf mijn tienden geef of elke ochtend de Bijbel lees, dan zal God mij zegenen.” Bij God bestaat er geen als-dan. Een bepaalde “voor wat hoort wat”-mindset klopt niet. God wil een relatie, een vriendschap met ons, en geen onderhandelingsovereenkomst.
  • Het of-of-denken: God is óf een lieve teddybeer, óf een strenge rechter. Ze ontdekte dat Hij een God van én-én is. Een Jezus die tafels omgooit én tegelijkertijd bidt voor vergeving van Zijn beul. “Ons denken is vaak te beperkt; we proberen Hem in een hokje te proppen.”
De kerk als patiënt

Als ze de kerk als patiënt op haar bank zou krijgen, wat zou dan de diagnose zijn? Wanda aarzelt niet: “De kerk is nog best wel ziek.”

Ze ziet te weinig ruimte voor mensen in moeilijke processen. Rouw die langer duurt dan een half jaar wordt vaak niet begrepen; dan wordt het ongemakkelijk. Te vaak horen mensen: “Nu moet het toch wel een keer over zijn.” Er wordt geoordeeld waar compassie nodig is. Het medicijn? Een God verkondigen van én-én. Ja, geloven in herstel, maar ook ruimte maken voor de tijd die dat kost. God riep Mozes, maar liet hem daarna eerst veertig jaar schapen hoeden. “Als tiener dacht ik: nee, laat mij alsjeblieft niet zo lang wachten. Maar achteraf was die tijd bij mij ook nodig.”

Ze haalt psychiater Dirk de Wachter aan: we zijn de kunst van het ‘ongelukkig zijn’ verleerd. Lijden mag er niet meer zijn, ook niet in de kerk, terwijl de Psalmen vaker klagen dan juichen. “Niet voor niets staan die klachten in het hart van de Bijbel.” Ook Edith Eger is een inspiratiebron voor haar: zelfs in Auschwitz behield zij de kracht om haar innerlijke wereld af te schermen, terwijl zij werd gedwongen — zij was toen pas 16 jaar oud — om voor dr. Mengele, de ‘Engel des Doods’, te dansen in de barak; haar mentale overlevingsstrategie bleek sterker dan de dood.

Voor mensen zonder geloof in diepe duisternis heeft Wanda een krachtige boodschap: “Als jij de hoop even niet meer hebt, leun dan maar op de mijne.”

De Dorsslede

Aan de muur in haar praktijk hangt een bijzonder voorwerp: een dorsslede. Michiel liet deze speciaal uit Oost-Europa overkomen als huwelijkscadeau, een verwijzing naar Jesaja 41:15-16. Een tekst die Christa Rosier haar ooit meegaf.

“Zie, Ik heb u gesteld tot een scherpe dorslee, een nieuwe, met dubbele sneden. U zult bergen dorsen en vergruizen, en heuvels maken als kaf.”

“Ik dacht altijd zo minderwaardig over mezelf dat ik de tekst nooit werkelijk begreep en kon omarmen,” vertelt Wanda. Toen ze twee jaar geleden haar praktijk begon, was de naam direct helder: De Dorsslede. Een dorsslede scheidt het koren van het kaf; het brengt het leven tevoorschijn. Dat is precies wat Wanda doet: mensen helpen om weer helder te zien en zichzelf te bekijken door de ogen van God.

Met een glimlach kijkt ze naar de tekst van Psalm 129 aan de muur, die Christa heeft verwerkt in een schilderij. Christa is er niet meer; ze is op 50-jarige leeftijd overleden in 2011, maar haar woorden leven voort — in de houten slede aan de wand en in het werk dat Wanda elke dag aan haar tafel verricht.


De website van Wanda

@wimvanputten

Naar
Startpagina