
In gesprek met Gert Nauta
Een leven van geloof, liefde en lef

“Niet te veel nadenken, maar gewoon doen”
Na een rit van een half uur komen we aan in Hoofddorp, waar Gert en Diny Nauta in een wijk aan de rand van de stad wonen. Hun prachtige woning heeft een gezellige huiskamer die uitkijkt over een natuurgebied. Koeien, schapen, eenden en ganzen — veel meer leven kom je daar niet tegen. Een heerlijk uitzicht vanuit de achtertuin, maar ik ben niet voor het uitzicht gekomen. Ik ben hier voor een gesprek met Gert: een boeiende man met een levensverhaal dat raakt.
Dertig jaar in Hoofddorp, maar niet zonder pijn
Gert en Diny wonen al dertig jaar in deze wijk, maar dat was eigenlijk nooit de bedoeling. Vroeger woonden ze midden in de polder, in een stuk lintbebouwing — lekker ruim en vrij. Vijf kinderen en alle ruimte om je heen. Maar Schiphol had andere plannen; voor de aanleg van de vijfde startbaan moest het gezin wijken.
“Dat ging bij mij met pijn in het hart,” geeft Gert eerlijk toe. Diny schudt haar hoofd. Zij had het er nooit zo naar haar zin. De kinderen naar school, boodschappen doen, alles regelen; in de polder was dat altijd een heel gedoe. Toen ze eenmaal in Hoofddorp gesetteld waren, moest Gert zelf ook toegeven: “Dit hadden we tien jaar eerder moeten doen.” Zo kan het verkeren.
Vijf kinderen, een zware tijd
Gert en Diny hebben vijf kinderen. “Niet één te veel en niet één te weinig,” zegt Gert met een glimlach. Vier meiden en één zoon. Ze begonnen met twee dochters, maar daarna volgde negen jaar stilte. Diny kampte na de eerste bevallingen met een postnatale depressie en herstelde maar langzaam. Na die negen jaar kwam nummer drie — in Diny’s ogen een nakomertje, omdat ze dat zelf ook was. Toen Gert zag hoe goed het haar die keer verging, werd hij enthousiast. “Ik zei: ik vind het prima, we gaan voor een vierde.” Wat volgde, was een tweeling.
In die jaren was Gert de enige kostwinner. Hij werkte in de staalbouw. Hij begon bij een kleine smid in het dorp met traphekjes en tuinhekjes, en eindigde bij energiecentrales en voetbalstadions. Van de onderste sport van de ladder klom hij bijna helemaal naar de top. “Ik heb bijna alles gehad,” lacht hij. “Alleen Feyenoord nog niet, want die hadden geen zin om te bouwen.”
Van gereformeerd naar evangelisch
Gert groeide op in Vijfhuizen, een dorpje waar de hervormde en gereformeerde kerk letterlijk aan weerszijden van de straat stonden. Hij was gereformeerd, Diny hervormd. Er was destijds flink wat frictie tussen de kerken, zelfs in de schoolbesturen. Gert herinnert zich nog dat hij als klein jongetje naar de hervormde kerk wees en vroeg: “Mama, daar geloven ze niet in de Here God, hè?” Zo werd er thuis over gepraat.
Totdat ze rond hun 35e allebei vastliepen. In 1988 kwamen ze tot geloof — niet ‘pats boem’, maar via een proces. Het begon op de Betteld, een evangelische camping in Doetinchem. Ze waren er toevallig terechtgekomen, zonder dat ze echt wisten wat hen te wachten stond. Ze kwamen aan op maandag — op zondag waren ze niet welkom vanwege de zondagsrust — en werden ondergedompeld in een wereld van Bijbelstudies en geloofsverdieping.
De doorbraak kwam tijdens een Bijbelstudie over Ruth en Boaz. De spreker eindigde met de woorden: “Zorg dat je op het veld van Boaz bent. Want als je geen voedsel krijgt op het land waar je zit, dan zit je op het verkeerde land.” Gert en Diny keken elkaar aan: dit ging over hen. Ze reden bijna jubelend naar huis.
“In de gereformeerde kerk hebben we God leren kennen. Bij de baptisten hebben we Jezus leren kennen. En in de Levende Evangeliegemeente hebben we het werk van de Heilige Geest leren kennen.” Een drietrapsraket, noem ik het. Gert lacht: “Ja, maar die is niet met een schaartje door te knippen.”
Een hart voor anderen
Het leven kende ook medische dieptepunten. Op zijn 24e kreeg hij een hernia, midden in de tijd van een jong gezin en een zwaar beroep. “Ik dacht dat mijn wereld instortte,” zegt Gert. “Maar ik kende de Heer toen nog niet zoals nu.” Na een jaar was hij ervan af en heeft hij er nooit meer last van gehad.
Tien jaar geleden begon zijn hart te haperen door een veel te lage hartslag. De oplossing was een pacemaker, die inmiddels al tien jaar zijn werk doet. “Houden we zo,” zegt hij droog. Hoe dat voelde, daar op de operatietafel? Gert denkt even na. “Je wordt met je neus op de feiten gedrukt. Dit kan het geweest zijn, of we gaan nog even door.” Was hij er klaar voor? “Voor allebei eigenlijk wel. Ik ben nooit bang geweest om te sterven. Ik hang aan het leven, maar ik weet dat het eindig is. Alleen niet wanneer.” Het moeilijkste, zegt hij, is het besef dat je vrouw dan alleen verder moet.
Beschikbaar, bereid en bereikbaar
Op een conferentie deed spreker Jan Pit een oproep: wie is beschikbaar, bereid en bereikbaar om voor de Heer te werken? Gert begon onrustig te schuifelen op zijn stoel. Diny fluisterde hem net op dat moment toe dat ze zwanger was van de tweeling. Jan Pit leek het bijna te horen en zei: “Nu moet u niet denken: hoe moet dat dan met de kinderen?” Gert stond op. Diny volgde.
Kort daarna zagen ze een advertentie: De Hoop in Dordrecht zocht iemand om jongeren het metaalvak te leren. Het was hem op het lijf geschreven, maar hij werd afgewezen. Een jaar later werd hij opnieuw benaderd, en opnieuw afgewezen. In diezelfde periode kwamen ze Frans tegen, een verslaafde man die ze jarenlang hebben begeleid. Later zei de zus van Frans: “Jullie hoefden niet naar De Hoop. De Heer wilde gewoon weten of je beschikbaar was. En dat waren jullie.”
Zachter geworden, maar recht door zee
In zijn werk was Gert gewend zijn mannetje te staan tussen de ruwe taal op de bouwplaats. Als hij de keet binnenkwam, wisten de mannen dat er niet gevloekt werd. “Ze wisten precies wat ze aan me hadden.” In de kerk werkt dat soms anders; daar is meer tact nodig. En dat vindt hij weleens lastig.
“Ik ben verbaal niet altijd sterk genoeg om een discussie in de gemeente op een ‘christelijke’ manier aan te gaan. Dan verval ik in bouwvakkerstaal en dat werkt averechts. Dan weet ik dat ik beter mijn mond kan houden.” Diny vult aan: “Hij bedoelt het zo goed, maar het komt er soms wat lomp uit.”
Toch is Gert zachter geworden. Toegankelijker en emotioneler ook. “Aan de ene kant is dat een verrijking,” zegt hij, “aan de andere kant zit het soms zo hoog dat ik niet meer uit mijn woorden kom.” Hij lacht verlegen. Hij komt uit een mannenwereld waar ‘janken’ er niet bij hoorde, maar hij erkent de verandering. De Heilige Geest heeft zijn werk gedaan.
Naar Oekraïne, zonder aarzeling
En dan het meest verrassende hoofdstuk. Op een zaterdagochtend trof Gert een gemeentegenoot, Hans, die hulpgoederen verzamelde voor Oekraïne. Tijdens de koffie vroeg Gert wanneer Hans weer zou gaan. “Volgend weekend,” zei Hans. “En wie gaat er mee?” Hans aarzelde, maar Gert zei direct: “Ik ga met je mee.” Geen twijfel.
“Ik moest het alleen nog even aan Diny vertellen,” voegt hij er droog aan toe. Diny: “Hij kwam die zaterdag thuis en ik zag het meteen aan hem. Hij vertelde dat hij Hans had beloofd mee te gaan. Ik had er eigenlijk direct vrede mee. Dit was goed.” De kinderen hadden er meer moeite mee. Voor vertrek kwamen hun kinderen bidden. “We laten papa gaan, maar we weten niet of we hem terugzien.”
Vijf kilometer van het front
Ze zijn er inmiddels meerdere keren geweest, telkens met een vrachtwagen vol gereedschap, medische spullen en voedsel. De eerste keer bracht hen naar Cherson, vlak bij de rivier de Dnjepr — de scheidslijn tussen de legers. Ze zagen kapotgeschoten tanks, verwoeste huizen en loopgraven.


“In de verte hoorden we de inslagen,” vertelt Gert rustig. “Verder mochten we niet van de begeleider, te gevaarlijk. We hadden een uur om te lossen en moesten toen direct weer weg.” Ze stonden op slechts vier à vijf kilometer van het front. Bij een latere tocht reden ze vijftig kilometer lang onder antidronennetten door. Gert: “Toen dacht ik wel: nu zijn we echt op een plek waar het mis kan gaan.” Eén keer werden ze direct bij aankomst weggestuurd naar een plek onder de bomen; anderhalf uur daarvoor hadden er drones boven de parkeerplaats gehangen. Als wit konvooi ben je een schietschijf.
Verdrietig
Wat hem het meeste raakt, zijn de verhalen. Zoals de opa die vertelde hoe een raket zijn huis verwoestte en zijn kleindochter haar been verloor. Twee jaar later zag Gert het meisje met een prothese in de tuin spelen. “Je bent zelf opa,” zeg ik. “Dan komt het wel heel dichtbij.” Gert knikt, maar zegt niets. Dat hoeft ook niet.
Of het verhaal van de man wiens twee zoons aan verschillende kanten van het front vechten. Broer tegen broer. Zo pijnlijk verweven zijn de banden in het oosten van Oekraïne.
Terug in Nederland
Na elke reis heeft Gert een paar dagen nodig om te landen. Geen grote verhalen aan de eettafel, maar eerst even rust. Pas daarna komt het gesprek. “Als mensen in de kerk vragen hoe het was, vertel ik wel wat,” zegt hij. “Maar dat gevoel kun je niet overbrengen als je er zelf niet bent geweest.”
Hij denkt terug aan zijn eerste reis naar Roemenië, dertig jaar geleden. Na weken in zigeunerwijken waar mensen werkelijk niets hadden, liep hij in Nederland de supermarkt in. Het eerste wat hij zag, waren meterslange schappen met honden- en kattenvoer. “Dat was een enorme schok. Je went er wel aan, maar het wordt nooit meer gewoon.”
Een vader in de gemeente
Op de vraag of hij een vaderrol vervult in de gemeente, reageert hij bescheiden. Hij denkt aan de jongeren die hij ziet, soms worstelend met het leven. “Wat kan ik voor hen betekenen? Hoe benader ik ze?” Hij kijkt naar zijn eigen kleinkinderen; zij weten dat ze altijd bij opa terechtkunnen. Of hij altijd de juiste woorden vindt, weet hij niet. “Maar als ik ergens tegenaan loop, ga ik het niet uit de weg. Ik doe mijn best.” En soms, zo besluiten we samen, is een knuffel genoeg.
Een rijk gezegend leven
Aan het einde van ons gesprek vraag ik of hij het weer zo zou overdoen. Hij hoeft niet lang na te denken. “Ik denk niet dat ik ergens een andere keuze had gemaakt. We zijn rijk gezegend. Natuurlijk hebben we het nodige meegemaakt, maar we kunnen dankbaar terugkijken.”
God leren kennen bij de gereformeerden, Jezus bij de baptisten, en de Heilige Geest in de evangelische gemeente. Niet gepland, maar zo gelopen. En die spontaniteit waarmee hij zei “ik ga mee, Hans” — dat is misschien wel het mooiste bewijs van hoe de Geest werkt. Niet te veel over nadenken, maar gewoon doen.
“Zeker weten,” zegt Gert. En dan, met een brede glimlach: “Halleluja.”
@wimvanputten

Startpagina