
In gesprek met Jaap Wiersma
“Wil je ook de moeilijke dingen doen?”

Waarom loslaten de hoogste vorm van geloof is
Het was voor mij een voorrecht om vandaag Jaap en Jennie Wiersma te ontmoeten. Mooie mensen die al zo vele jaren werkzaam zijn in het Koninkrijk van God. Op vele terreinen: van hulpverlening aan verslaving tot dienstbaar zijn in de kerk. En twee keer een lange periode van zending in Brazilië. Het is een voorrecht om deze mensen te mogen ontmoeten. Zo rij ik naar Rotterdam en kom terecht aan een prachtig appartementencomplex aan de Nieuwe Maas. Met een schitterend uitzicht op die prachtige stad, met in de verte de contouren van al die hoge gebouwen die elke keer weer verrassend zijn. Nog verrassender is het gesprek met Jaap en Jennie.
Jaap groeide op in Putten. Hervormd opgevoed, in de Andreaskerk. Zoals hij het zelf omschrijft: redelijk vrijzinnig. Verantwoordelijkheid nemen, er zijn voor de ander — dat waren de waarden die hij meekreeg. Maar een persoonlijke relatie met God? Nee, die kende hij niet. “Ik hield meer van bier en het café,” zegt hij eerlijk. De kerk was er wel, maar het was meer een sociale ontmoetingsplek dan een plek waar hij God ontmoette. Dat veranderde toen hij zestien was.
Een indringende boodschap
Een vriendin belde hem op: “Jaap, je moet naar Amsterdam. David Wilkerson spreekt daar.” De urgentie in haar stem liet hem niet los. Hij ging.
In die samenkomst hoorde Jaap voor het eerst dat Jezus terug zou komen. Hij was daar nog nooit mee bezig geweest. “Hij vertelde het alsof Hij al op de stoep stond,” zegt Jaap. Toen de oproep kwam om naar voren te komen, deed hij het. Maar een echte verandering bracht het op dat moment nog niet.
Toch was er iets in gang gezet. Later, via een koffiebar in Harderwijk belandde hij in een gemeente, waar Spanjersberg de voorganger was. Daar hebben ze voor de zekerheid nog maar een keer met hem gebeden. “Dubbele zegen,” lacht hij.
Zijn moeder was predikant geweest in diezelfde Andreaskerk waar hij opgroeide. De appel valt niet ver van de boom. En zijn vader was leraar. Toch wil Jaap zichzelf geen leraar noemen in de klassieke zin. “Ik zoek niet alleen het hoofd, maar het hart. Wat betekent dit voor je leven?” Als hij een preek voorbereidt, bidt hij: “Heer, waar hebben de mensen het over tijdens de koffie? Wat nemen ze straks mee naar huis?”
Voorbijganger in plaats van voorganger
Zijn weg naar het voorgangerschap was lang en kronkelig. Toen begon hij eerst als oudste, en werd later gevraagd als voorganger. Hij noemde zichzelf een “voorbijganger” in plaats van een voorganger. Hij stapte in met een duidelijk plan: een brug zijn naar de nieuwe tijd, op zoek naar de jongere generatie. Een tussenstap, geen eindpunt.
Cornelis van der Dussen en Dick van Steenis waren zijn voorgangers. “God leidt je leven,” zegt hij. “Stap voor stap, ook met de nodige hobbels. Onze generatie heeft momenten meegemaakt die pijnlijk waren.” Hij aarzelt niet: “Je kunt daar niet aan ontkomen. En dat is ook niet erg. Want wat vormt je het meest? Niet je successen. Juist de moeilijkheden brengen je dichter bij God.” Dat klinkt als een vrome oneliner, maar hij meent het. Hij heeft het doorleefd.
Brazilië
Midden in een druk leven — bij De Hoop, in de gemeente en als maatschappelijk werker — hoorden Jaap en Jennie allebei, onafhankelijk van elkaar, dezelfde roeping: God vroeg hen naar Brazilië te gaan. Het kwam via de radio, door het getuigenis van Lenie Flach.
Jaap was onderweg naar een afspraak met de hoofddirectie van Vendex in Den Haag, waar hij in die tijd werkte. Hij zette de radio aan en hoorde haar verhaal. In plaats van naar de vergadering te gaan, keerde hij zijn auto en reed hij naar huis. Jennie bleek diezelfde uitzending te hebben gehoord. Dezelfde ervaring. Ze stonden voor de drempel van een nieuw avontuur.
Met vier kinderen, de oudste dertien jaar, vertrokken ze naar Minas Gerais. Portugees leerden de kinderen op straat — eerst een paar rare woorden, zoals dat gaat. Ze woonden in een arme wijk, maar werden daar met open armen ontvangen. Zodra de buurt doorhad dat Jaap en Jennie geen “rijke Nederlanders” waren, hoorden ze er echt bij. De jongste, een jongen met een blond koppie, werd Pintinho genoemd: kuikentje. Hij speelde met de kippen op straat en iedereen in de wijk waakte over hem. Buiten de wijk was het soms gevaarlijk, maar binnen de buurt was het veilig. Sterker nog: toen ze later terugkwamen in Nederland, voelden de kinderen zich op straat in Rotterdam onveiliger dan in Brazilië.
Maar toen werd hun dochter Ilse ziek. Op haar zevende verjaardag raakte ze in coma. Jaap was op dat moment weg om iemand naar Belo Horizonte te brengen; mobiele telefoons bestonden nog niet. Jennie moest alleen met Ilse naar het ziekenhuis. In het eerste ziekenhuis werden ze weggestuurd: het quota van tien patiënten was vol. Met een kind in coma stonden ze weer op straat. Bij een particulier ziekenhuis vroegen ze direct om geld. Ze hadden niet genoeg en een ongedekte cheque werd niet geaccepteerd. Weer moesten ze terug.
Verslagen zette Jennie het busje stil voor de poort in hun wijk. Een buurvrouw keek naar binnen en zei: “Dat kind gaat dood, terwijl jullie hier zijn om ons te helpen.” Ze stuurde haar eigen kinderen de wijk in om geld in te zamelen. De een gaf suiker, de ander een kip om te verkopen. Na een paar uur was er een bedrag bij elkaar. Het was nog niet genoeg, maar de nonnen van het katholieke ziekenhuis belden een arts. Hij kwam direct. Hij rende door de gangen met Ilse in zijn armen, met Jennie er in paniek achteraan. Hij legde haar aan het infuus en zei: “Als u tien minuten later was geweest, was ze er niet meer geweest.”
Ilse overleefde het, maar ze was niet meer het meisje van voorheen. Ze kon niet meer praten of lopen. Er was gespecialiseerde zorg nodig, dus ging Jennie met haar terug naar het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. In de gemeente waren de meningen ondertussen verdeeld. De ene helft zei: “Zie je wel, jullie worden aangevallen, dit is van de duivel.” De andere helft zei: “Zie je wel dat dit niet van God is, anders was dit nooit gebeurd.” Jennie’s nuchtere reactie: “Ik kan met beide beweringen helemaal niets.”
Wat overeind bleef, was hun roeping. Die was nooit in twijfel getrokken. Pas jaren later ontdekte men dat Ilse destijds geen hersenvliesontsteking had gehad, maar een metabole ziekte. Erfelijk. Het was hun eigen kleindochter die later bijna in coma raakte, wat de weg opende naar de juiste diagnose. Dankzij de juiste medicatie werd Ilse een heel andere vrouw. Ze is inmiddels moeder van twee kinderen.
De prijs die kinderen betalen
Jaap is pijnlijk eerlijk over zijn vaderschap. “Ik was een behoorlijk afwezige vader.” In Brazilië was hij verantwoordelijk voor een groot gebied en legde hij lange afstanden af. Zijn oudste zoon leed daaronder, maar Jaap merkte het pas veel later. “Als je alles voor God doet, denk je algauw dat je alles goed doet. Maar dat is niet waar.”
Op een avond zat hij met zijn zoon — toen inmiddels achttien — bij de verwarming. Jaap zei: “Rem, je hebt me gemist. Ik was er niet toen je me nodig had. Jij zat in de puberteit, met verkering en alles wat er door je lijf gierde, en je vader was druk met het evangelie. Wil je me vergeven?” Ze hebben samen zitten huilen tegen de radiator. Uit die pijn groeide iets nieuws en moois.
Dit is inmiddels een vast onderwerp wanneer Jaap met andere leiders praat. “Hoe gaat het thuis? Hoe is het met je kinderen en je huwelijk?” Hij voegt er lachend aan toe: “Zelfs God nam een rustdag. Wie denk jij dan wel dat je bent dat je die niet nodig hebt?” Cornelis van der Dussen zei het hem destijds al toen Jaap voorganger werd: “Als je alleen doet wat God van je vraagt, heb je het al druk genoeg. Maar jou kennende doe je er waarschijnlijk nog een heleboel extra bij.” Dat bleek profetisch.
Gemeente bouwen over grenzen heen
Rotterdam is anders dan een bergdorpje in Minas Gerais, maar de lessen uit Brazilië nam hij mee. In een multiculturele gemeente zie je snel eilandjes ontstaan: de Brazilianen bij elkaar, de Antillianen bij elkaar, de Nederlanders in hun eigen bubbel. “Het is niet eenvoudig om dat te doorbreken,” geeft hij toe. “Het zit in de natuur van de mens om mensen te kiezen die op hem lijken.”
Volgens Jaap begint het bij eerlijkheid over je eigen cultuur. Nederlanders, zegt hij onomwonden, zijn van nature een volkje dat het altijd beter weet. “Op zendingsvelden, maar ook hier, leggen we onze norm op aan de mensen om ons heen.” Hij herinnert zich Nederlandse groepen die in Brazilië kwamen helpen bouwen. Zij wilde de kleur van de verf bepalen, want ‘wie betaalt, bepaalt’. Terwijl de Brazilianen allang geel, paars en roze hadden klaarstaan. De Brazilianen vonden die kleuren prachtig, dus moesten de Nederlanders met frisse tegenzin de ‘Braziliaanse’ kleuren smeren.
“Wat is gemeente zijn?” vraagt hij zich af. “Ben je in staat een andere cultuur echt te omarmen? Of moet het gaan zoals jij vindt dat het hoort? Dat laatste, dat is typisch Nederlands.” Hij lacht om de cultuurverschillen: in Nederland staat de voorganger om tien uur stipt klaar en ergert hij zich aan de lege stoelen. Maar de mensen die in Brazilië te laat komen, gaan wel als laatste weg. Ze vieren uren later nog hun verjaardag onder de koffie. “Is het niet fantastisch dat ze er überhaupt zijn?”
Terug in Nederland wilde Jaap de boel eens goed opschudden en vaste gewoonten doorbreken; hij gooide de zaal een keer helemaal om. Het podium in het midden, de stoelen anders. Mensen raakten volledig in de war: “Waar is mijn plek?” Hij liet ze speeddaten met mensen die ze nog nooit gesproken hadden. Want gemeente zijn betekent volgens Jaap: moeite doen voor elkaar.
De kunst van het loslaten
Van De Hoop naar Kom en Zie, van Nederland naar Brazilië en weer terug; Jaap heeft het stokje vaak moeten overdragen. En telkens opnieuw moest hij leren loslaten. Met zijn opvolger, Koen Minderhoud, trok hij vier jaar lang op. Eerst één dag in de week samen optrekken, praten, een relatie bouwen. Daarna naast hem staan, en uiteindelijk: de deur achter zich dichttrekken.
“Met pensioen gaan is ook echt met pensioen gaan.” Hij had tegen Koen gezegd: “De eerste drie maanden mag je me niet bellen. Los het zelf maar op.” En toen Koen hem inderdaad niet belde, vond hij dat stiekem vreselijk. “Ik voelde me ineens niet meer nuttig.” Zijn vrouw zei nuchter: “Hij kan het dus ook heel goed zonder jou.”
“Op zo’n moment word je geconfronteerd met jezelf,” zegt Jaap. “En dat is alleen maar goed.” De les is overal toepasbaar, of het nu gaat om je kinderen of je opvolger. “Als ik de focus op Koen leg, zie ik genoeg kritiekpuntjes. Maar als ik de focus op God leg en zie wat Hij aan het doen is, dan geniet ik net zo hard. Het mag ook anders gaan dan ik het deed.”
Vertrouwen gaat verder dan geloof
Het laatste deel van ons gesprek gaat over vertrouwen. Niet ‘geloof’ in de zin van hard genoeg bidden om iets voor elkaar te krijgen, maar dieper vertrouwen. “Geloof zit vaak nog in een controlemodus: ik geloof, dus nu moet het gebeuren. Maar vertrouwen vraagt om een relatie, niet om antwoorden.”
Hij ontdekte de diepte van Romeinen 6: dat hij niet alleen bevrijd is omdat Jezus voor hem stierf, maar dat hij met Hem is gekruisigd. Gestorven en weer opgestaan. “Niet ik leef, maar Christus leeft in mij.” Met een grijns: “We zingen zo makkelijk: ‘Heer, ik geef U mijn hart’. Ik kan beter zingen: ‘Heer, ik geef U mijn arm’ — ik heb er toch twee. Maar als je echt je hart geeft, ben je er zelf niet meer.”
Lukt dat altijd? “De ene keer beter dan de andere. Maar het is de grondtoon van mijn leven.” En stilzitten in een bushokje tot Jezus terugkomt? Daar bedankt hij voor. Hij gaat nog regelmatig naar Brazilië. Niet meer in een officiële functie, maar gewoon om voorgangers op te zoeken en te vragen: “Hoe gaat het echt met je? Zullen we even bijpraten?” En om de projecten te bezoeken waar zij nog altijd bij betrokken zijn via Stichting ELO, en waar veel kinderen elke dag een veilige thuis vinden.
Een andere manier van tot zegen zijn. Misschien wel de mooiste.
“Durf dingen los te laten, zodat je iets nieuws kunt ontvangen. Als we blijven vasthouden, kan God onze handen niet vullen.”
Wil je meer lezen over het zendingswerk waar Jaap en Jennie bij betrokken zijn in Brazilië? Kijk op de website van Stichting ELO: www.elostichting.wixsite.com/st-elo
@wimvanputten

Startpagina