In gesprek met ….


In gesprek met Fieke Goedhart

Deel 1

Mijn levensverhaal over oorlog, afwijzing en de kracht van liefde.

Wat ik nooit dacht te zullen vertellen

Toen Wim vroeg of hij langs mocht komen om mijn levensverhaal te bespreken, aarzelde ik. Niet omdat ik het niet wilde, maar omdat ik mezelf niet zo zie. Als mensen zeggen dat ik zoveel heb meegemaakt en zoveel te delen heb, denk ik altijd: zo bijzonder is dat toch niet? Maar het gesprek liep vanzelf. Er zit nu eenmaal een hele geschiedenis in mijn leven, van mijn jeugd tot vandaag, met de hele wereld als decor. En in die geschiedenis zitten levenslessen die misschien wel iets te zeggen hebben.

Het kamp

Ik was 6 jaar oud toen ik met mijn ouders in Nederlands-Indië in een Jappenkamp belandde. Mijn vader in een mannenkamp en mijn moeder, broertje en ik in een vrouwenkamp. Een kind beleeft zoiets anders dan een volwassene. Je accepteert de situatie zoals die is. Niet omdat je er blij mee bent, maar omdat het niet anders kan. Achteraf heb ik door de psychologie geleerd dat de schoolleeftijd eigenlijk de beste leeftijd is om zoiets te doorstaan. De peuter- en tienerleeftijd zijn veel moeilijker. Mijn broertje was pas drie toen we het kamp ingingen; hij heeft daar ontzettend veel liefde en aandacht gemist. Hij is er lichamelijk en geestelijk zwak uitgekomen en heeft zijn hele leven moeite gehad. Ik ben er — en daar kan ik alleen God voor danken — goed doorheen gekomen.

Mijn moeder overleed in het kamp. Daarna zwierf ik samen met mijn broertje rond, o.a. op zoek naar eten. Het klinkt onvoorstelbaar als ik het nu opschrijf, maar destijds was het simpelweg mijn dagelijkse bezigheid. De dood was voor mij heel normaal, ik zag elke dag mensen sterven. Zo was het leven toen.

Jaren later kregen Kees en ik bij ons 25-jarig huwelijk een reis naar Indonesië cadeau. Ik wilde per se terug naar die wijk in Bandung waar alles gebeurd was. De huizen stonden er nog, opgeknapt, en er liepen Japanse toeristen rond — het is voor hen tegenwoordig een vakantieland. Ik keek ernaar en het deed me niets meer. Ik denk dat dat door twee dingen komt. Ten eerste: God heeft me genezen. Ten tweede: als kind kun je dingen op een bepaalde manier achter je laten.

Ik geloof dat het vinden van Jezus daarin allesbepalend is geweest. Ik kom weleens mensen tegen die op dezelfde leeftijd hetzelfde hebben meegemaakt en die nog altijd slachtoffer zijn. Maar ik zie dat anders. Voor mij was mijn geloof in Jezus juist een bevrijding om het verleden te kunnen loslaten.

Een moeder die niet kon liefhebben

Ik ben vernoemd naar een ouder zusje dat al was overleden voordat ik geboren werd. Mijn moeder had ooit een profetie gekregen in een sektarische groep dat dat zusje zou terugkomen. Ze noemde mij Fieke, maar ik was totaal niet wie zij verwachtte: geen sociaal, schattig meisje met , krullend haar, dat graag op schoot zat, maar precies het tegenovergestelde. Mijn moeder was ziek — dat moet ik er wel bij zeggen — en kon dat niet verwerken. Ze heeft me min of meer aan de kant geschoven.

Ik herinner me nog een moment in het kamp: ze stuurde me om water te halen, wat een hele onderneming was met al die mensen in de rij voor één kraan. Toen ik terugkwam, sloeg ze het water uit mijn handen en zei: “Je bent Fieke helemaal niet. Ga weg.” Zo ziek was ze. Als kind begrijp je daar niets van.

Toen ze stervende was, was ze een andere vrouw. Zachter. We werden bij haar geroepen; ze lag bij de nonnen — dat was de eerste paar maanden in het kamp nog mogelijk. Mijn moeder zei tegen mij: “Zeg tegen papa dat hij een lieve mama voor jullie zoekt.” Dat zijn de dingen die je onthoudt. Vooral nu ik volwassen ben en weet dat ze ziek was, kan ik dat verwerken. Maar als kind en als tiener was dat anders.

Ons hele gezin was eigenlijk doordrenkt van afwezigheid en afwijzing. Mijn vader was zelf op zijn zevende de deur uit gezet nadat zijn moeder overleed en zijn stiefmoeder geen zin had in kleine kinderen. Hij werd opgevoed door de bakker en is later zelf bakker geworden. Een zware vorm van verwerping, die hij op zijn manier — soms verkeerd — heeft doorgegeven.

Mijn tweede moeder, met wie mijn vader na de oorlog trouwde, was het middelste kind uit een streng gezin. Ze werd overschaduwd door een oudere zus die directrice werd en een jongere broer die dominee werd. Ze trouwde met mijn vader, zo heeft ze me ooit zelf verteld, niet uit liefde, maar omdat ze ons — twee gefrustreerde kinderen — zielig vond. Twee gewonde mensen die elkaar niet konden geven wat nodig was. Het huwelijk was gespannen, en ik had daar zeker mee te maken.

Ik was blij dat ik op mijn zestiende de deur uit kon. Mijn stiefmoeder heeft me daar overigens wel bij geholpen — niet omdat ze me weg wilde hebben, maar ze vroeg oprecht wat ik wilde. Ik had de mulo gedaan en wilde met kinderen werken. Zo kwam ik terecht bij de Van den Bergstichting in Noordwijk, waar destijds mensen met een geestelijke en lichamelijke beperking woonden. Daar heb ik met enorm veel plezier gewerkt. Het gaf me het gevoel dat ik er, ondanks alles, mocht zijn.

Een leerachterstand ingehaald

Tussen het kamp en mijn werk in Noordwijk zat nog een hele schoolperiode. Ik was tien en moest beginnen in de vijfde klas, wat in eerste instantie niet lukte. We zaten een jaar in Leiden, samen met allerlei andere kinderen uit de oorlog — sommigen uit Indonesië, sommigen uit de kampen of uit Duitsland. Daar kregen we bijles, en in dat jaar heb ik me bijgewerkt tot het niveau van de vijfde klas.

Ik heb heel veel onthouden, maar tot op late leeftijd nooit goed geweten wanneer je een woord met dt schrijft. Het advies van de lagere school was de huishoudschool, en dat was wel het laatste wat ik wilde. Het liefst wilde ik naar de HBS, maar de mulo was ook fijn — daar heeft mijn tweede moeder voor geknokt. Ik kwam op de mulo in Driebergen terecht en vond het geweldig. Ik was geen briljante leerling met een schitterende cijferlijst, maar ik heb het gehaald.

Leven, niet lijden

Mensen vragen me vaak hoe ik die traumatische jaren heb verwerkt. Het antwoord is eigenlijk simpel: je móést wel leven. Ik heb er nooit echt bij stilgestaan. In mijn jarenlange werk bij wat nu “Sleutels tot Herstel” heet, kreeg ik mensen met een flinke rugzak; mensen die als kind vreselijk geleden hadden. Bij mij is ‘lijden’ niet het juiste woord. Ik vond bepaalde dingen niet leuk, maar dat is anders dan lijden. Ik genoot van vriendschappen, van mijn werk en van het geven van liefde aan de kinderen met wie ik werkte — al was het ontvangen van liefde een ander verhaal.

Er was in ons gezin geen affectie. Niemand zei ooit dat je iets goed had gedaan; deed je het slecht, dan waren er consequenties. Als je daarmee opgroeit, denk je dat het normaal is. Ik ben er gewoon mee opgegroeid en heb het geaccepteerd zoals het was. Dat klinkt misschien apart, maar het is gewoon zo: ik heb niet zwaar geleden.

Vergeving leren

Vergeving is voor mij door de jaren heen een sleutel geworden — ook richting de Japanners. Dat heeft lang geduurd en ik was er erg angstig voor. Een zendeling die in Japan had gewerkt, heeft me destijds iets over de cultuur uitgelegd. Later heb ik ook Japanners ontmoet, al zat daar toen nog veel angst bij. Pas toen ik vijftig werd, begonnen de nachtmerries weer. Daarna is er voor mij gebeden en heb ik nooit meer last gehad.

Ik denk vaak aan de kinderen die nu uit oorlogsgebieden komen, zoals Oekraïne, en de begeleiding die zij krijgen. Wij kwamen destijds met onze ouders uit Indonesië en er was geen enkele kennis of besef van wat je met zulke kinderen moest doen. Je moest gewoon leven, leren en een baan zoeken. Nu zie ik dat dat een groot gemis was. Die kinderen hebben vooral een veilige plek nodig, want die veiligheid is volledig weggevallen.

Toen we terugkwamen in Nederland, hadden de Nederlanders weinig oog voor wat wij hadden meegemaakt. Ze waren zelf druk met de verwerking van de oorlog tegen de Duitsers en zeiden zoiets als: “Jullie hadden het misschien moeilijk, maar jullie zaten tenminste in een warm land onder de palmen, terwijl wij hier doodgingen van de kou.” Er was destijds weinig erkenning voor ons lijden.

De ontmoeting met mijn vader

Na de oorlog zaten we nog zo’n twee maanden in het kamp, omdat iedereen een weg moest vinden naar familie. Het Rode Kruis spoorde via een neef — die in het mannenkamp met mijn vader had gezeten — op waar mijn vader verbleef. Mijn broertje was te ziek om mee te gaan, dus werd ik samen met een groep kinderen op een vrachtwagen naar Batavia gebracht.

Ik had geen idee hoe mijn vader eruitzag. We hadden in Indonesië weinig contact met onze ouders gehad; ze werkten allebei hard en we hadden een baboe die voor ons zorgde. Op de galerij waar ik moest zijn, zat een man met een kalend hoofd een krant te lezen. Ik zei: “Hallo, ik ben Fieke,” waarna die man woedend opsprong. Op dat moment kwam mijn echte vader de hoek om en riep mijn naam. Die andere man bleek net zijn eigen dochtertje van mijn leeftijd te hebben verloren — alles liep door elkaar.

De eerste vraag van mijn vader was waar mama was. “Dood,” zei ik. Voor mij was dat destijds zo gewoon; ik zag immers elke dag mensen sterven. Hij wist niet eens dat zijn vrouw overleden was; hij had in het mannenkamp gezeten en zij met de kinderen in het vrouwenkamp. Hij sloeg van puur verdriet met zijn hoofd tegen de muur.

Kort daarna brak de Bersiap-periode uit en moesten we opnieuw vluchten. Het duurde nog lang voor we naar Nederland konden. Alles was gestolen, zelfs de sieraden van mijn moeder waren in het kamp afgepakt. Om te overleven moest je ‘kedekken’ — iemand achter het hek iets toestoppen in ruil voor eten. Ik heb zelf ook gestolen. Je wilde simpelweg overleven.

Een nieuw begin

Voordat ik Kees ontmoette, was ik op de Hezenberg tot geloof gekomen. Ik was diep onder de indruk van wat ik daar zag en hoorde, al kon ik er toen nog niet veel mee. Er was vooral één verlangen: hier waren ze lief voor me. Hier werd ik gehoord. Dat was ik niet gewend.

Als kind van veertien schreef ik mijn ervaringen op in een schrift. Ik droomde ervan er ooit een boek van te maken en beroemd te worden. Mijn tweede moeder vond dat schrift, scheurde het kapot en gooide het in de kachel. “Dit doen we met fantasieverhalen,” zei ze. Ze kon er waarschijnlijk niets mee, was zelf gefrustreerd, of geloofde simpelweg niet dat het echt gebeurd was. We hebben er nooit meer over gesproken.

Kort na mijn bekering leerde ik bidden en merkte ik dat geloven in Jezus heel reëel voor me werd. Steeds meer mensen vertelden me erover, en het werd belangrijker dan ooit dat ik wist: er is Iemand die van me houdt en me accepteert zoals ik ben. Het kampleven en zelfs het gezinsleven hadden me die bevestiging nooit gegeven.

Ik werd, ondanks mijn beperkte kennis, gevraagd om bijbelstudie te geven aan de jeugd bij Stromen van Kracht in Amsterdam. Het was midden in de nacht toen de telefoon ging in het weeshuis waar ik werkte: “Fieke, de Heer heeft jou aangewezen om bijbelstudie aan de jeugd te geven.” Lijkt me niet makkelijk, dacht ik, maar als de Heer het zegt… Zo zat ik in elkaar. Fanatiek, enorm fanatiek.

Tijdens een van die bijbelstudies moest ik een Franse spreker, die Engels sprak, vertalen. Mijn schoolengels was eerlijk gezegd nogal beperkt, dus ik maakte er deels mijn eigen verhaal van. Achteraf besef ik dat dat mijn manier was om te laten zien dat ik er ook mocht zijn, dat ik wat kon. De man was eerst geschokt dat een vrouw de bijbelstudie leidde, en ik droeg ook nog eens een petticoatrok met rinkelende armbanden terwijl ik iedereen koffie en thee serveerde. Kees was er ook bij, en aan het eind van de avond kwam hij vriendelijk naar me toe: “Niet makkelijk, hè?” “Nee, versta jij het wel?” “Het komt wel goed,” zei hij — hij had via de handelsschool wél goed Engels geleerd. Zo hebben we elkaar leren kennen.

We hebben in de tijd daarna ontzettend veel gepraat. Kees was eerder toe aan trouwen dan ik; ik wilde nog reizen en had allerlei plannen. Op een gegeven moment heb ik het zelfs uitgemaakt, maar ik miste hem zo erg dat ik snel op mijn besluit terugkwam. Hij zei: “Ik hou nog steeds van je, maar als je het nog één keer doet, weet ik het niet meer.” Dat moment heeft een stevige basis gelegd. We hebben ons in ons huwelijk nooit hoeven afvragen wie we waren of wat we dachten, want we hadden alles van tevoren uitgepraat.

Het was voor mij destijds niet vanzelfsprekend om te geloven dat iemand echt van me kon houden. Als Kees boos werd, dacht ik soms: zie je wel, hij houdt ook niet van me. Ik heb echt moeten leren wat liefde was, en daar ben ik God ontzettend dankbaar voor. Zonder Hem had ik dat nooit gekund.

Einde deel 1


@wimvanputten

Naar
Startpagina