In gesprek met ….


In gesprek met Irene Langeveld


Kees en Irene Langeveld

Een leven van geloof, kunst en gastvrijheid

Alphense wortels

Als jongste van vier meiden groeide ik op in een gezin waar mijn vader het met vijf vrouwen moest zien te redden. Dat lukte hem niet altijd even goed. Mijn moeder had thuis echt de hoofdrol. “Zij was het nekkie waar het hoofd op draait,” zoals ze zelf graag zei. Dat was haar uitleg van de bijbelse uitspraak van Paulus over de onderdanigheid van de vrouw: het nekkie bepaalde namelijk de richting die we als gezin opgingen.

Een jeugd getekend door ziekte

We waren wel Nederlands Hervormd, maar thuis werd er niet echt over geloof gesproken. Op zondag ging je naar de kerk en daarmee was de kous af. Later ging ik naar de catechisatie bij de Opstandingskerk en de Adventskerk, waar de dominee ons leerde dat de Bijbel niet van kaft tot kaft het Woord van God kon zijn, omdat die zichzelf zo vaak tegenspreekt. Je moest je eigen waarheid ontdekken en kijken wat bij je paste. Eigenlijk heel vrijzinnig.

Mijn jeugd stond vooral in het teken van ziek zijn. Ik had de ene na de andere chronische oorontsteking en was daardoor heel vaak ziek. Ook had ik veel last van mijn darmen. Het begon toen ik een jaar oud was: ik kreeg roodvonk en overleefde dat nauwelijks. Kort daarna kreeg ik de mazelen. Naar school gaan betekende dan ook vaak thuisblijven.

Toen ik twaalf was, werd ik geopereerd. Het bleek dat ik geen trommelvlies meer in mijn oor had; dat was door alle ontstekingen verdwenen. Ze hebben toen een trommelvlies van een botvlies gemaakt. Sindsdien heb ik nooit meer oorontsteking gehad. Dat was echt een wonder.

Duisternis en licht

Als kind leerde ik wel bidden, omdat ik ’s nachts vaak niet kon slapen. Toen ik negen was, keek ik thuis naar een occulte film. Ik raakte erdoor ‘belast’. Mijn moeder was ook bezig met een magnetiseur en zo. Het resultaat was dat ik heel slecht kon slapen en ’s nachts geluiden hoorde die anderen niet hoorden. Dat maakte me angstig. Ik vroeg aan mijn zus of zij het ook hoorde, maar zij hoorde niets.

Dit heeft tot mijn negentiende geduurd. Ik was eigenlijk heel depressief. Die duisternis was via die film in mij gekomen. Dat is de reden waarom wij later met onze kinderen heel voorzichtig waren met televisie. Zodra ik maar het idee had dat er iets occults achter kon zitten, was het klaar.

God heeft me echt bewaard

De kunstacademie en de koffiebar

Toen ik zeventien was, ging ik naar de kunstacademie in Den Haag. Ik zocht vertier in de wereld om van die depressie af te komen. Gewoon uitgaan als jonge meid, gezellig. Ik was niet echt christelijk bezig. God heeft me echt bewaard en gespaard, want er had van alles mis kunnen gaan.

Op een dag waren mijn vriendin en ik blut en konden we niet uit. Er waren jongens die al een tijdje vroegen of we naar de koffiebar kwamen. Maar ik dacht dat dat zo’n stijf, christelijk gedoe was met meisjes in plooirokjes en een diadeempje. Ik zat op de kunstacademie en was hartstikke alternatief.

Toch gingen we erheen en het bleek dat het allemaal erg leuke, vlotte jongelui waren. Niks stijfs! Het was de evangelische koffiebar in de Baptistengemeente in de Vijverlaan en later in het IJsclubgebouw. Dat was de hemel op aarde, echt waar, ik kwam er in 1973 tot bewust geloof. En ik kreeg er zulke fijne vrienden en vriendinnen. Ik ging elke week naar de bijbelstudie, naar de bidstond, naar de koffiebar. In de koffiebar ontmoette ik ook Kees. Hij zat bij de leiding. In 1975 zijn we getrouwd.

Levend geloof

Op mijn negentiende ben ik tot levend geloof gekomen. Niet door een speciale bijeenkomst of een gebed, maar gewoon door mijn leven aan God toe te vertrouwen. Ik kreeg een levende relatie met God en nam de Heer Jezus aan als mijn Redder. Verder niks bijzonders. Maar de depressie en die geluiden ’s nachts waren toen wel meteen weg.

Ik wilde iedereen het evangelie vertellen. Zo naïef was ik, de eerste liefde. Op mijn werk en op de academie. Ik plakte stickers met “Een weg Jezus” op alle lantaarnpalen en op mijn tas. Thuis dachten ze dat ik niet meer spoorde, wat behoorlijke verwijdering in het gezin gaf. Mijn zussen waren er helemaal niet mee bezig en mijn ouders hadden die vrijzinnige manier van geloven. Ik zei: “Nee, de Bijbel is wel van kaft tot kaft het Woord van God!” Ik was ook wel heel zwart-wit, achteraf misschien te fanatiek. Maar ik schaamde me niet voor het evangelie.

Een van mijn zusjes kwam op latere leeftijd tot geloof door een verhaal dat we hoorden tijdens kinderclubdagen. Later, toen we al vier kinderen hadden, namen we onze ouders mee naar een kerstweek in Zeeland. Daar kwamen ze ook tot geloof. Dit opende de deur om eindelijk met hen over het geloof te kunnen praten, iets wat eerder niet mogelijk was.

De ziekte van Kees

Het moeilijkste moment in mijn leven was toen Kees ziek werd. We moesten drie jaar wachten voordat we wisten wat die ziekte was. We waren in verschillende ziekenhuizen en die zeiden: “Leert u er maar mee te leven.” Kees was toen 39 en had een eigen accountantskantoor. Hij heeft heel lang gewerkt, terwijl hij op kantoor soms op de grond moest gaan liggen, zo ziek voelde hij zich.

Hij moest zijn werk overdragen, maar dat kan je niet als je ziek bent. Hij lag thuis op bed met mensen van kantoor die dan langskwamen. Maar het ergste was niet weten wat hem mankeerde en dat dokters je aan je lot overlieten.

Dat vond ik heel moeilijk, want toen Kees nog gezond was, was hij een heel andere man dan toen hij ziek werd. Ziekte bepaalt toch je houding. We hadden het op een gegeven moment wel een beetje moeilijk met elkaar. Kees vond het lastig dat ik hem niet begreep en ik vond het moeilijk dat hij mij niet begreep. Dat gaf spanning in onze relatie.

We hadden natuurlijk vier jonge kinderen en ook nog een hobbyboerderij met paarden, schapen, geiten, kippen, katten, noem maar op. Daar moest ook voor gezorgd worden. Met een zieke man, een bedrijf en kinderen was dat een behoorlijk spannende tijd.

We zien nu dat onze kinderen, ondanks dat zij geen onbezorgde kindertijd hebben gehad – Marien, de oudste was twaalf toen Kees ziek werd en Rombout, de jongste van het stel was vijf – toch allemaal hun hart aan de Heer hebben gegeven. Ze hebben gezien dat het, ondanks pijn en moeite, toch goed te doen is.

Zendelingen als zegen

Daarom ben ik zo blij dat we zendelingen zijn gaan ontvangen bij ons thuis. Die zijn ons enorm tot zegen geweest in die moeilijke tijd. Degenen aan wie je hulp gaf, boden zelf hulp, maar dan op geestelijk gebied. Daarom hebben we nooit getwijfeld aan Gods werk in ons leven of aan zijn aanwezigheid. Ons credo is wel: God werkt bijna altijd door mensen heen en soms bovennatuurlijk.

Wij hadden zelf een verlangen om de zending in te gaan, maar Kees heeft echt ervaren dat accountant worden een roeping van God op zijn leven was. Heel apart. Toen dachten we: dan hebben we toch iets voor zendelingen. Wij gaan weliswaar niet de zending in, maar dan komen de zendelingen bij óns.

Kees was 41 in de week voordat hij jarig werd, toen kregen we eindelijk de diagnose. Ze hadden gedacht dat Kees longkanker had, want hij had vlekken op zijn longen. Maar dat was het niet. Ze dachten dat hij MS had, maar dat bleek het ook niet te zijn. Het bleek sarcoïdose te zijn, maar wij wisten niet wat dat inhield.

We hadden zendelingen uit Nigeria in ons gastenhuis in die tijd. Ik kwam uit het ziekenhuis; Kees moest blijven. De dag daarvoor was hij eenenveertig geworden en we wisten dat het heel ernstig was. Die zendeling vroeg me of ik een woord van God had gekregen. Ik dacht aan een stem, maar hij zei dat het ook een bijbeltekst kon zijn.

Toen bedacht ik me dat we de dag ervoor Psalm 41 hadden gelezen, want dat doen we altijd op een verjaardag. Die psalm gaat over een ziekte die niet ten dode leidt, maar die je leven wel zal veranderen. Hij zei: “Leg daar je hand maar op, want dat is niet toevallig, dat is echt Gods Woord voor jullie op dit moment.” Toen dacht ik: hij gaat hier niet aan overlijden. En dat risico lag er wel. Die onzekerheid was zo groot.

Die psalm gaat ook over iemand die zorg heeft voor de minderbedeelden, en dat is Kees gewoon. We hebben altijd omgekeken naar mensen die het minder hadden. Zo zijn onze gasten ons tot zegen geweest.

Leg daar je hand maar op, want dat is niet toevallig

Twijfel en verwachting

Ik heb nooit getwijfeld aan God, maar wel over wat je van Hem mag verwachten. Dat doe ik tot op de dag van vandaag. Bijvoorbeeld of Hij geneest. Kees is nu 76 en wordt in januari 77. Vanaf zijn 39e kampen we met die ziekte. Ik ben zelf ook best vaak geopereerd: baarmoeder eruit, mijn ogen door hoornvliesziekte, en meer van dat soort situaties.

Er zit een begrijpelijke spanning tussen geloof, verwachting en het toch niet zien gebeuren. Dat maakt dat dingen niet vanzelfsprekend zijn voor ons. Daarom hebben we soms moeite met die houding van “neem het en claim het”. Ik las recent een biografie van Derek Prince en dacht: ben ik nou lauw geworden? Mijn verwachting van Gods ingrijpen in je leven is niet zo hoog. En dat is heel dom, want Kees is er nog en ik ben er nog. De trouw van God is zichtbaar, zelfs in het verdubbelen van je leeftijdsjaren. Dat is toch een wonder op zich.

Het dieptepunt

Ik denk dat de rugperiode het dieptepunt in mijn leven is geweest. Ik had constant zenuwpijn in mijn rug en in de ziekenhuizen zeiden ze dat ik niet geopereerd kon worden, dus moest ik maar morfine slikken. God was wel ver weg. Ik zei tegen Kees: “Word ik nou beproefd? Wat doe ik fout?” Je gaat denken dat het een soort straf is.

Kees zei natuurlijk dat dat onzin was, maar zo denk ik dan. Je bent toegewijde christenen en dan ga je toch twijfelen. “Wat doe ik fout? Ik hou van detectives kijken, komt het daardoor? Ik hou van de krant lezen en ben niet zo heel erg van de bijbelstudieboeken.” Je gaat denken: misschien word ik beproefd, ik moet die detectives maar aan de kant zetten. Dat soort dingen.

Heeft dat geholpen? Nee, want ik kijk er nog steeds naar. Het was wel bijzonder dat we mensen hadden die ons daar doorheen sleepten en ons bemoedigden. Maar ja, het is ook een aanklager die je allerlei dingen inwrijft en je schuld aanpraat die je niet hebt. Daar had ik toen heel veel last van. Een bevriend echtpaar uit onze buurt heeft ook heel veel voor mij betekend. Toen ik zo’n last van mijn rug had, kwamen ze heel geregeld voor mij bidden, zelfs als het bloedheet was.

Kunst en inspiratie

Ik schilderde eigenlijk alleen maar bloemen, landschappen, mensen en portretten; ik had geen vaste onderwerpen. Ook was ik niet zo van het maken van christelijke schilderijen, maar ik heb bijvoorbeeld wel heel veel flanelplaten gemaakt voor zondagsscholen en kinderclubs, en veel kleurplaten.

In een open huis van de Baptistengemeente, één keer per maand, ging ik met mensen van de straat schilderen. Dan kon ik iets van het geloof delen terwijl ik ze aan het schilderen zette. Daar nam ik schilderijen mee met een boodschap. Ik heb bijvoorbeeld een schilderij gemaakt toen Kees zo erg ziek was. Het beeldt Kees en mij uit. Het kruis stelt een kaars met een vlam voor. De boodschap is dat als we God centraal in ons leven hebben, we de kracht hebben om er samen doorheen te komen.

Een ander schilderij: dat ben ik, en als ik mijn hoofd maar omhooghoud naar God toe, dan gaat het. Dit staat een beetje voor de ziektes in ons leven, maar als ik me niet ophef en naar Hem kijk, word ik somber. Ik sla mijn hand voor mijn ogen. Het is door het bloed van de Here Jezus vermengd met goud.

“Bloom where you are planted.”

Rust vinden

Laatst las ik een mooie tekst in een tijdschrift: “Bloom where you are planted.” Dat zinnetje raakte me, omdat het zo goed past bij mijn leven nu. Ik zit in een situatie vol ziekte en ongemak, maar zelfs hier kan ik iets betekenen voor de mensen om me heen. Sinds ik die kanker heb, ben ik veel vrijmoediger geworden over mijn geloof. Het voelt nu natuurlijker om te vertellen wat God voor me betekent, vooral in deze moeilijke tijd. Ik zie mezelf niet als een geloofsheld, verre van dat. Toch merken mensen dit op en accepteren ze het op een of andere manier. En dan denk ik: ja, wat heb ik eigenlijk te verliezen?

Terugkijken

Als ik terugkijk op mijn leven, zou ik niet weten wat ik anders had moeten doen. Ik heb het idee dat het allemaal wel zo moest gaan zoals het is gegaan. We hadden geen afslag hoeven nemen of terug hoeven gaan. We hebben een leven waar ik blij mee ben.

“God werkt bijna altijd door mensen heen en soms bovennatuurlijk.” Dat is ons credo gebleven. En daar zijn we dankbaar voor.


@Wim van Putten