In gesprek met ….


In gesprek met Bob Hofmans

Een leven uit genade


Deel 1

Geloof is geen theorie, maar leven in de kracht van de Geest.

Als je mij vraagt om mijn leven te beschrijven, is er eigenlijk maar één woord waar alles om draait: genade. Die rode draad loopt door heel mijn bestaan, van mijn jeugd in Rotterdam tot waar ik nu sta, op 86-jarige leeftijd in Alphen aan den Rijn.

Jeugd en wortels

Ik ben in 1939 in Maastricht geboren. Mijn ouders woonden daar vanwege het werk van mijn vader bij de ENCI, de Nederlandse Cementindustrie. In de jaren dertig heerste in Rotterdam pure armoede. De broer van mijn vader, die al bij de ENCI werkte, zei: “Er is hier werk genoeg, kom maar deze kant op.” En zo verhuisden mijn ouders naar Limburg, naar een huis aan de Mergelweg, pal aan de voet van de Sint-Pietersberg. Voor ons huis lag een grote vallei met een slingerende beek – op foto’s zag ik later hoe prachtig dat was.

Zelf was ik maar een jaar oud toen we er weggingen, dus echte herinneringen heb ik er niet aan. Ik ben opgegroeid in Rotterdam-IJsselmonde, in wat vroeger de Smeetslandse polder heette. En wat een heerlijke jeugd was dat! Ik kon me enorm uitleven in de natuur. Soms speelde ik met vrienden, maar vaak ging ik in m’n eentje de polder in, naar de ‘grinden’ – mijn persoonlijke speelterrein. Ik was een avontuurlijk mannetje; klimmen in bomen en op daken zat er gewoon in.

Eén keer klom ik in een boom en brak een tak af. Ik viel zo’n tien meter als een baksteen. Gelukkig raakte mijn voet klem tussen twee takken, waardoor ik op een paar meter boven de grond bleef bungelen. Ik realiseerde het me toen niet, maar nu, achteraf, zie ik daar overduidelijk de hand van de Heer in. Een val op mijn hoofd was het gevolg geweest.

Familie en thuis

Na ruim vijftig jaar samen hebben Nellie en ik Barendrecht de rug toegekeerd en zijn we neergestreken in Alphen aan den Rijn. Veertig jaar lang woonden we daar, maar de laatste tijd in een appartement waar ik me simpelweg niet meer thuis voelde.

Via internet vonden we ons huidige, gelijkvloerse huis in de Chinastraat. De aankoop gaf in het begin nogal wat gedoe – er moesten wat hobbels genomen worden – maar uiteindelijk is alles op zijn pootjes terechtgekomen. Na een flinke opknapbeurt wonen we hier nu alweer vijf jaar. We genieten met volle teugen van het gemak en hebben geen seconde spijt of heimwee gehad. Wat een verademing!

Een gesprek dat alles veranderde

Na mijn militaire dienst in 1960 ging ik aan de slag bij Verolme Machinefabriek IJsselmonde. Dat was het bedrijf van Cornelis Verolme, destijds de grootste scheepsbouwer van Europa. Voor mijn diensttijd was ik daar als vijftienjarige al geweest, na de lagere technische school. Bij terugkomst kwam ik op de afdeling werkvoorbereiding, een administratieve post waar ik het werk voor mijn collega’s moest regelen.

Daar ontmoette ik Piet. Hij begon met me over het geloof te praten. Hij wist dat ik christelijk was opgevoed, maar hijzelf was dat niet en was lid van een pinkstergemeente. Die gesprekken duurden een tijdje, ik denk een paar jaar, maar zijn houding en zijn mening over het geloof triggerden me enorm. Ik ben zelf de Bijbel gaan lezen. Door die gesprekken raakte ik oprecht geïnteresseerd in wat de Bijbel nu écht zegt.

Op een gegeven moment was ik ervan overtuigd dat wat hij zei klopte – voor zover je dat kunt zeggen, natuurlijk. Dat overtuigde me om de overstap te maken van de gereformeerde kerk waarin ik was opgegroeid. Mijn ouders bleven daar tot hun dood lid. Maar ik sloot me aan bij diezelfde pinkstergemeente, toen de Filadelfiagemeente genaamd.

Dit was echt een gamechanger in mijn leven, een radicale bekering kun je wel zeggen. Ik begon pas toen écht te beseffen wat de inhoud van het evangelie werkelijk betekent. Met mijn verstand wist ik het daarvoor wel – het werd ons uitgelegd – maar nu zakte het een stuk lager en kwam het in mijn hart terecht. Daar, in die gemeente, ben ik gegroeid in mijn geloof. En daar heb ik ook Nellie ontmoet.

Breuk en herstel

De eerste overstap, van de gereformeerde kerk naar de pinkstergemeente, was de grootste. We praten over de zestiger jaren en in die tijd boterde het niet echt tussen de reformatorische kerken en de pinkstergemeente. De pinkstergemeente was een behoorlijk uitgesproken richting en daar waren de kerken niet echt blij mee.

Het heeft me wel moeite gekost, zeker in het begin verdedigde ik nog de leer en visie van de kerk. Maar de Geest van God heeft mij toch overtuigd en uiteindelijk heb ik de keuze gemaakt. Mijn ouders vonden dat niet leuk. Toen ik mij liet dopen – zoals dat in de pinkstergemeente gebruikelijk was – werd mijn vader zelfs kwaad. “Ik heb je al laten dopen,” zei hij. Dat was pijnlijk voor hem, maar ook voor mij. Het waren zó tegengestelde visies.

Daar moest ik even doorheen. Maar later is het wel weer goed gekomen. Ik zei in het begin tegen Nellie: “We kunnen met woorden waarschijnlijk niet zoveel duidelijk maken, maar láát ze het maar zien aan ons leven.” Aan de manier waarop wij leven. En dat is ook gebeurd.

Veel later, toen mijn moeder op 94-jarige leeftijd was overleden, doorzochten we haar huis. Toen vond ik haar huisbijbel. Helemaal achterin lag een schoolblaadje, met in mijn kneuterige handschrift geschreven, waarschijnlijk naar aanleiding van een kerstverhaal in december 1948: “Jezus is geboren, Jezus is de baas.” En eronder: “Heerlijk klonk het lied der engelen.” Ik was toen negen jaar.

Dat had ze gekoesterd, dat had ze bewaard. En dat betekent wel, denk ik, dat er vanuit mijn ouders een liefde voor het evangelie en voor mij is geweest – op hun manier. Als je jong bent, zet je je toch een beetje af tegen je ouders. Maar later, nog niet zo lang geleden, dacht ik: eigenlijk hebben zij mij wel gevormd. Ik heb normen en waarden uit ons gezin meegekregen, en die hebben zich diep in mijn ziel verankerd.

Kruispunten en keuzes

In de loop der jaren heb ik meer overstappen gemaakt. Die ontstonden vaak op momenten dat ik zelf weinig keus had – er werd me geen keus gelaten, zeg maar. De eerste keer was toen ik lid was van de pinkstergemeente. Samen met een paar anderen gaf ik leiding aan de jeugdgroep; dat was echt mijn lust en mijn leven. We hadden het ontzettend naar ons zin en konden daar de boodschap van het evangelie kwijt. We leerden jongeren dingen over het geloof, en ze accepteerden dat ook. Er was een leuke jeugdgroep ontstaan.

Op een zondagmorgen zei de voorganger zo uit het niets: “Vanaf nu is er geen jeugd meer op dinsdag.” Ik vermoed – ik kan het niet bewijzen – dat de voorganger het niet eens was met wat wij daar vertelden. Op dat moment was ons werk in de gemeente eigenlijk beëindigd. Dat was niet echt een fijn moment, vooral de manier waarop het ging was niet prettig.

De visie die ik toen ontwikkelde, had te maken met het Koninkrijk van God. Door boeken en geschriften van andere leraars te lezen, ontwikkelde ik een visie die niet zo matchte met de leer van de pinkstergemeente. Op zich was dat niet helemaal onbegrijpelijk. Maar door die ervaringen heen ben ik wel sterker geworden in het geloof.

Het Koninkrijk van God: realiteit, geen theorie

Ik heb me al heel vroeg verdiept in wat het Koninkrijk van God nu eigenlijk is. Als Jezus zegt: “Zoek eerst het Koninkrijk van God, en al het andere zal u bovendien toegeworpen worden,” kun je dat aannemen en met je verstand zeggen: “Oké, dat geloof ik ook wel.” Maar ik ben me daarin echt gaan vastbijten.

Ik kwam tot de conclusie dat mensen zich niet goed realiseren – althans, het merendeel niet – dat het Koninkrijk van God, de geestelijke wereld, werkelijkheid is. Dat het realiteit is, en dat ‘geestelijk’ niet iets vaags is.

Wanneer je je verdiept in je geloof en verbonden bent met Jezus, de Zoon van God, dan kom je dichter bij Hem zodra je de Heilige Geest hebt ontvangen. Voor mijzelf gebeurde dit door de doop met de Heilige Geest, wat samenging met het spreken in tongen.

Dit had ingrijpende gevolgend voor mijn persoonlijk leven. Het gaat niet alleen om de Bijbel, het gaat ook om de manier: hoe ga ik in dit leven met het Koninkrijk van God om? Dat is voor mij door de jaren heen steeds belangrijker geworden.

Eén van de verschillen die ik ontdekte: in de kerk was het geloof meer theorie, kennis die wettisch was, met een bijbehorend schuldgevoel. Dat werd gevoed door de theologie van de kerk. Maar de vrijheid waarin je kunt leven als je Jezus hebt aangenomen als je persoonlijke Verlosser en Heiland, de relatie die daardoor ontstaat – dat stond haaks op de kerk, waar het geloof met het verstand werd beleden, onder de wet.

Paulus zegt dat als je dat doet, je onder de wet zit. Dan ben je niet in de vrijheid. En die vrijheid ontdekte ik: de vrijheid die er is in Christus, als kind van God die leeft door de Geest en niet meer door de wet.

Doop in de Heilige Geest

Toen ik lid werd van de pinkstergemeente, leerde ik daar over de uitstorting van de Heilige Geest, de vervulling ermee, het spreken in tongen en genezing. Toen ik er met mijn vader over sprak, zei hij: “Dat is niet meer voor deze tijd, dat was voor vroeger.” Hij geloofde er niet in en deed er ook geen moeite voor.

Dat merk ik vandaag de dag nog steeds: mensen geloven het wel in de zin van “Het staat in de Bijbel,” maar het is nog niet bij elke christen in het hart ingedaald. Je kunt leven uit geloof, en je kunt leven in en door de relatie met de Heilige Geest.

In de Bijbel staat dat de discipelen vervuld werden met de Heilige Geest. Ze waren gewaarschuwd – de Heer Jezus zei: “Blijf in Jeruzalem, totdat jullie aangedaan worden met kracht uit de hoogte.” Ze spraken in talen die ze zelf niet begrepen, maar anderen hoorden en verstonden het wel. Dat is een bijzondere ervaring die in de pinkstergemeente nog steeds wordt ervaren.

Alleen in de traditionele kerken komt dat eigenlijk niet voor. Het is geschiedenis. Er werd in de Bijbel wel over gelezen, maar in de trant van: dat was vroeger.

Gelukkig zie je nu, in deze tijd, dat er nog steeds groepen zijn die het evangelie doorgeven via evangelisatieactiviteiten. Er is weer een beweging van jongeren die met verlangen naar de kerk gaan. Die kerkdiensten zien er wel anders uit dan vroeger – ze zijn niet te vergelijken met de traditionele kerk. Het is vrolijker, er zijn meer blije gezichten.



@Wim van Putten