In gesprek met ….


In gesprek met Fieke Goedhart

Deel 2

Mijn levensverhaal over oorlog, afwijzing en de kracht van liefde.

Samenvatting deel 1

Als mensen tegen me zeggen dat ik veel heb meegemaakt, denk ik altijd dat het wel meevalt. Toch zit mijn geschiedenis vol herinneringen die er best mogen zijn. Ik was pas zes toen ik in een Jappenkamp belandde. Mijn moeder overleed daar en als kind moest ik letterlijk vechten om te overleven. De dood was destijds de normaalste zaak van de wereld.

Maar dit is geen zielig verhaal. Het gaat over opgroeien met afwijzing, de kracht van mijn geloof en hoe ik uiteindelijk leerde vergeven. Ik neem je mee van Bandung naar Noordwijk. Benieuwd hoe ik dit verleden echt achter me liet? Lees dan dit vervolgverhaal.
Twee karakters, één basis

Kees komt uit een heel ander nest dan ik. Als kind had hij weinig met de kerk en had hij alleen ongelovige vrienden, totdat hij via een toneelstukje bij een jongerenvereniging zijn eerste liefde tegenkwam. Pas later, op straat in Amsterdam, gaf hij zijn leven aan de Heer — en dat voelde voor hem volkomen echt.

De vrouw naast de bekende man

Kees is in Nederland breed bekend van zijn werk. Mensen vragen me regelmatig of ik moeite heb met die rol op de achtergrond. Bij Stromen van Kracht kreeg de vrouw destijds evenredig veel aandacht en had een gelijkwaardige inbreng in de bediening; we deden alles samen, ook tijdens onze jaren in de zending. Toen we terugkwamen en ik in verwachting raakte, veranderde dat. Ik vroeg me een tijdlang af: wie ben ik nu, nu ik niets ‘geestelijks’ meer doe? Mijn schoonmoeder zei toen iets wat me altijd is bijgebleven: “Jij bent een kind van God dat op de plek waar ze is, getuigt van wie God is. Dat is jouw taak. Niet wat je doet, maar wie je bent.”

Kees heeft me altijd alle vrijheid gegeven om mee te doen aan wat er in de gemeente gevraagd werd, en spoorde me daar zelfs toe aan. Ik heb spreekbeurten gedaan, trainingen gegeven en meegewerkt aan cursussen. Alleen op grote conferenties waar mensen alleen Kees kennen, hoor ik soms: “O, bent u de vrouw van…” Daar zit ik niet mee. Het ligt in mijn aard om me liever op de achtergrond te houden.

Pastoraat en loslaten

Veel mensen hebben hun verhaal met mij gedeeld in al die jaren van pastorale zorg. Sommige verhalen neem je mee, voor sommige mensen blijf je bidden. Maar het meeste moet je loslaten — niet uit onverschilligheid, maar omdat je anders niet kunt blijven helpen. Als je emotioneel met iedereen meegaat, kun je niemand meer echt bijstaan. Dat hebben we ooit als wijze les meegekregen: luister, geef door wat je van God krijgt, en laat het daarna los.

Teleurstelling in de gemeente

Het meest pijnlijke wat ik in al die jaren heb meegemaakt, is niet het verdriet van de oorlog, maar het verdriet dat ontstaat door situaties binnen kerken en bedieningen. Mensen die je vertrouwt en die je vervolgens kwetsen, of mensen die je in zonde zag vallen. Op een gegeven moment kwamen er bij ons meerdere van zulke situaties tegelijk samen, en dat zorgde voor een ware geloofscrisis: zitten we hier wel op de goede plek? Daar kom je gelukkig doorheen, mede omdat we elkaar hadden. Op zulke momenten houd je je vast aan het enige dat echt zeker is.

Wat extra zwaar was: in plaats van steun kregen we soms te maken met verdachtmakingen. Iemand belde eens om te vragen of ik wel wist waar Kees elke avond naartoe ging — hij zei wel dat hij naar ‘bijbelstudie’ ging, maar volgde ik hem ook echt? Een ander zei letterlijk dat ze geen contact meer met me wilde, voor het geval er met de bediening van Kees ook iets mis zou gaan. Vreemde, kwetsende reacties, zeker als je op dat moment al zo kwetsbaar bent.

Vergeving is daarin altijd de weg geweest. Je hoeft het niet meteen met je hele hart te voelen — je moet het vooral willen uitspreken naar de Heer: “Ik wil het.” En dat willen zal Hij in je uitwerken, als je volhardt. Ik heb dat zelf ervaren toen ik, na bijna een jaar bidden, naar mijn stiefmoeder kon gaan zonder enig oordeel. Het diepe geheim van vergeving is niet alleen dat je de last kwijt bent, maar dat je er zelf door verandert. Dat verandert de hele situatie; je gaat met andere ogen kijken.

Vier jaar zending

Kees en ik hebben ongeveer vier jaar op het zendingsveld gezeten, voornamelijk in Saint Lucia. We waren al met verlof in Nederland en hadden onze spullen al naar Trinidad gestuurd, waar we zouden gaan werken, toen duidelijk werd dat de organisatie thuis instortte en we niet meer terug konden gaan. De stichting Opwekking heeft destijds nog een jaar voor de zendelingen ter plekke gezorgd, zodat we rustig een nieuw thuisfront konden zoeken.

We zien nog steeds de vruchten van dat werk. Sonny Robinson, aan wie we destijds alles hebben overgedragen, heeft hard doorgewerkt en zijn zonen hebben dat voortgezet. Een van hen, Timothy, is hoofdvoorganger geworden van inmiddels vier grote kerken op Sint-Lucia. Toen die gemeente vijftig jaar bestond, mochten we via een livestream een toespraak houden. Veel mensen daar weten vaak niet eens dat wij die gemeente ooit hebben opgestart; ze kennen vooral Sonny, en dat is ook precies zoals het hoort. Het gaat niet om ons werk.

Pas toen wij terugkwamen in Nederland en actievoerden voor een eigen kerkgebouw op Sint-Lucia, kreeg die gemeente echt de stabiliteit om door te gaan. In die cultuur, waar grote rooms-katholieke kerken het straatbeeld bepalen, heb je een eigen, volwaardig gebouw nodig om als gemeente serieus genomen te worden.

We hebben in die jaren ook letterlijk wonderen meegemaakt. Op een moment dat we al onze meubels moesten teruggeven omdat we de lening niet konden afbetalen, kregen we op precies dezelfde dag twee brieven: één van een vriend die plotseling aanbood meubels te sturen, en één van een meisje uit Canada dat gedroomd had dat we in het donker zaten te huilen en ons opriep ‘de ramen open te doen’. Kort daarna vertelde iemand tijdens een dienst in Apeldoorn, zonder namen te noemen, over een zendeling in nood die 3.000 gulden nodig had. Een vrouw die buiten op de spreker stond te wachten, bleek net een erfenis van exact dat bedrag te hebben gekregen en moest direct aan ons denken. Zo hebben we vaak meegemaakt dat God er precies op tijd was — nooit te vroeg, maar wel altijd op het juiste moment.

Veranderende tijden

Als ik kijk naar hoe de zending en de gemeente in de loop der jaren zijn veranderd, zie ik veel verbetering. Vroeger worden zendelingen zomaar uitgezonden zonder enige voorbereiding op de taal of cultuur, en zonder garantie op financiële steun. Nu krijgen ze de tijd om een stevig thuisfront op te bouwen voordat ze gaan. Kees zegt altijd: “Het laatste stukje onzekerheid dat overblijft, dat is geloof.”

Wat de gemeente in Nederland betreft, zie ik zowel hoopvolle als zorgelijke ontwikkelingen. Enerzijds is er, juist onder jonge mensen, weer een hernieuwde honger naar God merkbaar, en dat geeft me veel hoop. Anderzijds is er het risico op oppervlakkigheid: dat het geloof een leuk, makkelijk verhaaltje moet zijn, en dat het godsbeeld wordt losgekoppeld van de Bijbel — alsof God alleen nog maar ‘liefde’ is, zonder de rest van wie Hij is.

Iedere generatie lijkt het wiel opnieuw te moeten uitvinden en dezelfde discussies opnieuw te moeten voeren. Het gevaar is dat geloof ‘van horen zeggen’ wordt — dat je gelooft wat je ouders geloofden, zonder zelf een persoonlijke ontmoeting met Jezus te hebben gehad. En die ontmoeting, daar draait het uiteindelijk om.

Wie Jezus voor mij is

Als mensen me vragen wie Jezus voor mij is, hoef ik daar niet lang over na te denken. Hij is de basis van mijn geloof en van mijn hele bestaan. Als ik vragen heb, zoals afgelopen nacht toen ik niet kon slapen, is Hij degene met wie ik praat. Ik heb iets tastbaars vast, iets waar ik altijd naartoe kan, iets waarvan ik zeker ben — al ken ik Hem nu nog niet ten volle.

Ik vind het jammer dat Jezus in sommige kringen langzaam naar de achtergrond verdwijnt, alsof het alleen nog om ‘God’ in algemene zin gaat. Maar de Schriften getuigen juist van Hem, ook in het Oude Testament al. Als de Here Jezus verdwijnt uit de prediking, of een randfiguur wordt, zitten we op een gevaarlijke weg. Dan raken we het hart van het evangelie kwijt.

Mijn eerste kennismaking met het geloof ging ook via Jezus: Iemand die veel goed deed en liet zien wie God werkelijk is — geen enge, straffende figuur, maar een liefdevolle Vader die van ons houdt. Dat maakt het evangelie voor mensen die er nog vreemd tegenover staan een stuk toegankelijker dan wanneer je direct over het oordeel begint.

Terugblik

Als ik terugkijk op dit alles — het kamp, de afwijzing thuis, de jaren in de zending, de teleurstellingen in de gemeente en de wonderen die daar telkens weer tussendoor gebeurden — dan zie ik vooral een rode draad van genade. Niet dat alles makkelijk was, en niet dat ik alles begrijp. Maar ik ben dankbaar dat ik, ondanks — of misschien wel dankzij — alles wat er gebeurd is, Iemand heb leren kennen die altijd is blijven staan: Jezus. Dat is het enige wat ik mensen die hun eigen verhaal van pijn en verlies met zich meedragen, zou willen meegeven: vergeving is niet alleen dat je iets kwijt bent, het is dat jij zelf verandert. Ervaar dat je weer kan LEVEN.

Zie Ezechiël 16:6-8. Dat Bijbelgedeelte is tevens mijn getuigenis.

Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ik heb u even overvloedig gemaakt als het gewas op het veld. U groeide op, u werd groot en u kwam tot grote schoonheid.16:7 tot grote schoonheid – Letterlijk: tot sieraad van sieraden. Uw borsten werden stevig, uw haar groeide, maar u was naakt en bloot. Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u een eed en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en zo werd u van Mij. (Ezechiël 16:6-8)


@wimvanputten

Naar
Startpagina