In gesprek met ….


Gesprek met ds. Pieter Both


Over verlies, geloof en het gewone leven

Een ochtend met een bevlogen dominee van De Regenboog in Harderwijk

Na een vakantie in Parijs met zijn gezin, waar alle highlights werden afgevinkt – van de Notre Dame tot Sacré-Coeur, van de Arc de Triomphe tot het Louvre – zit ik tegenover Pieter Both. Een predikant die niet in hokjes past, een docent met passie, en een man die het leven kent in al zijn kwetsbaarheid.

Van Rotterdam naar Harderwijk, en alles ertussenin

Pieter Both, dominee in De Regenboog – een hervormd-evangelisch georiënteerde wijkgemeente in Harderwijk – is een man van vele petten. Naast zijn werk op de preekstoel staat hij ‘uit hobby eigenlijk’ een paar uur voor de klas op de middelbare school. ‘Toen ik op mijn 25e klaar was met theologie, heb ik een hele tijd fulltime in het onderwijs gewerkt,’ vertelt hij. ‘Nu ben ik weer predikant, met wat uurtjes godsdienst erbij.’

Thuis is het een drukte van jawelste met vijf kinderen: drie twintigers uit zijn eerste huwelijk (zijn vrouw overleed destijds plotseling) en twee jongere kinderen van tien en elf. ‘Twee generaties onder één dak,’ zegt hij lachend. ‘Drie, als je de boomer-ouders meerekent.’ Hoewel de oudsten al uit huis zijn voor hun studie, zijn ze dol op de jongste twee. ‘Ons vierde kind, Levi, is onze verbinder. Zijn naam betekent het ook,’ legt hij uit. ‘Door samen weer kinderen te krijgen, voelden we dat we nog meer één gezin werden.’

Roots en de switch naar de PKN

Hoewel hij zijn jeugd doorbracht in Barendrecht, ‘eigenlijk Rotterdam-Zuid,’ en zijn roots in de Vrijgemaakte Kerk lagen, is hij altijd een vrije denker geweest. Ik herken die wereld, deels uit mijn eigen gereformeerde jeugd. Die wereld, waar je op verjaardagen weliswaar bij elkaar zat, maar de gespreksgroepjes onbewust gescheiden bleven.

‘De Vrijgemaakte Kerk was vroeger een bolwerk van theologie én van starheid,’ werp ik op. Pieter knikt en is resoluut: ‘Ik ben nog maar achttien jaar dominee, maar ik zeg weleens: we zijn niet voor niets gegaan. De aanleiding was het ambt voor de vrouw – mijn eerste vrouw voelde een roeping die daar toen niet gehonoreerd kon worden. Maar de échte oorzaak lag dieper. Ik ben nu eenmaal een vrije denker. Ik hou ervan om buiten de vakjes te kleuren.’

Zijn eerste vrouw was in 2004, vlak na de vorming van de PKN, de eerste die daar het colloquium voor toelating tot het ambt deed. ‘Dat was wel een cultuurverschil,’ geeft Pieter toe. ‘Maar ik zat al heel jong niet in dat systeem. De Nederlandse Gereformeerde Kerken zijn tegenwoordig heel anders dan in die tijd. Ik zou daar nu weer prima in passen. Maar in mijn jeugd was die systematiek mij te veel.’

Verlies en de geboorte van een ruimere theologie

Zoals te verwachten komt het gesprek onvermijdelijk op het grote verlies in zijn leven: het plotselinge overlijden van zijn eerste vrouw aan hersenvliesontsteking. Binnen één dag was ze er niet meer. Het noodlot heeft zijn geloofsbeleving radicaal veranderd.

‘Ik ben nog nadrukkelijker dan vóór die tijd het werk van Jezus breder gaan zien dan in de klassieke orthodoxie, waar het alleen maar met zonden te maken heeft,’ legt hij uit. Hij verwijst naar de beroemde hervormde theoloog Noordmans, die schreef over ‘de zondaar en de bedelaar’. ‘In de protestantse traditie zitten te veel zondaars in de kerk en te weinig bedelaars. De theologie heeft zich vernauwd tot het werk van Jezus op zondaars, en te weinig op bedelaars – meer op de dader dan op het slachtoffer.’

Hij licht het verschil toe: ‘Je kunt zeggen: Jezus sterft voor mijn zonden. Dat is prima. Je kunt ook zeggen: Jezus sterft en daardoor kan God in de dood wonen. Dat is een heel andere invalshoek van hetzelfde kruis. Klassiek zeg je: de opstanding van Jezus betekent dat ik zeker weet dat mijn zonden vergeven zijn. Maar je kunt ook zeggen: de opstanding van Jezus betekent dat Hij als eerste is opgestaan en wij Hem zullen volgen. Die tweede ben ik wel meer gaan zien, benadrukken en beleven.’

Over zonde en ellende

‘Het woord ‘zonde’ is volkomen verdwenen,’ opper ik. ‘Dat vind ik diffuus,’ reageert Pieter gevat. ‘Het fenomeen is er niet uit, alleen het woord. Mensen hebben juist een heel sterk besef van ellende in de wereld en zien heus wel in dat ze zelf ook niet altijd even leuk zijn.’ Hij stelt bij een doop de vraag of ouders geloven dat hun kind geboren is ‘in een wereld waar zonde, ellende en dood aanwezig zijn,’ met de hoop op Jezus Christus.

Het grappige is dat ongelovige partners de vraag vaak de mooiste vinden. ‘Dan zegt de gelovige vader: ‘Moet het weer over zonde en doodgaan?’ En de ongelovige zegt: ‘Dat vind ik de mooiste vraag die er is. Want dat is toch de realiteit van ons leven.’ ‘Heel veel christenen zijn zich een beetje gaan schamen voor dat woord,’ vervolgt hij. ‘Maar de nieuwe generatie groeit op zonder die negatieve connotatie. Als je gewoon zegt wat je bedoelt – dat het fout gaat in deze wereld én in je eigen leven, met een daderskant en een slachtofferskant – dan is er herkenning.’

De prutser en het geheim van gastvrijheid

‘Wat is het geheim achter die sfeer van gastvrijheid en thuisvoelen?’ vraag ik hem. Mensen komen van verre naar De Regenboog. Hij lacht bescheiden. ‘Dat weet ik eigenlijk niet. Er zijn altijd mannen met groeiende kerken die een panklaar antwoord hebben, maar ik zie mezelf als een prutser in de kerk. Ik doe maar wat. En prutsers doen soms de beste dingen. Je ziet dan heel gauw het werk van de Geest: het gebeurt gewoon.’

Prutsers doen soms de beste dingen

Toch zijn er bewuste keuzes. Gastvrijheid moet je blijven benoemen, omdat het een wezenskenmerk is van de kerk, geen bijkomstige strategie. ‘We delen in de gastvrijheid van God en daarom heten we iedereen welkom.’ De omgang met kinderen is wél bewust. ‘Ik heb een hekel aan kerken waar tegen kinderen wordt gezegd dat ze rustig op hun stoeltjes moeten zitten. Waarom? Dat is tegen hun natuur! Laat ze maar lekker zitten zoals ze zelf zijn. Desnoods omgekeerd – interesseert mij niet.’ Hij grijpt direct naar een anekdote over een dienst waarin hij de kinderen uitdaagde om zo hard te gillen dat ze het in de preek zouden horen. ‘En ja hoor, prompt gebeurde dat. Ik was helemaal uit mijn preek. ‘Dat is goed gedaan! Goed geluisterd!’’

Balans tussen generaties

Hoe houdt hij de balans tussen jonge gezinnen en de oudere generatie?

‘Daar ben ik eigenlijk nooit zo bewust mee bezig,’ bekent Pieter. ‘Wat we wél heel bewust doen, is dat we in de muziekkeus aansluiten bij jonge mensen. Dat offer vragen we van ouderen.’ De compensatie is de retro-dienst op zondagmiddag, maar ’s ochtends is de keuze voor de jongeren.

‘Als je zo spreekt dat een vijftienjarige het een beetje pakt, dan vindt de vijfentachtigjarige het vaak net zo mooi,’ legt hij uit. ‘Wat wil oma het liefst? Dat haar kleinkind in de kerk zit en snapt wat er gebeurt. Ik heb liever dat iemand van tachtig tijdens de koffie aan het kleinkind moet vragen: ‘Gebruikte die dominee het woord TikTok? Wat is dat eigenlijk?’ Dan dat het kleinkind aan de oma moet vragen wat de dominee bedoelde.’

De kunst van het preken uit het hoofd

Gefascineerd vraag ik hoe hij het voor elkaar krijgt: hij preekt helemaal los van zijn papier. ‘Het is grappig hoe het ontstaan is,’ vertelt hij. Een oppasmeisje in zijn eerste gemeente merkte op: ‘Ik moet wel lachen om jou op zondagmorgen. Je slaat een blaadje om en je kijkt helemaal niet – je praat gewoon door.’ Zo ontdekte hij dat hij de preek feitelijk al uit zijn hoofd kende.

De voorwaarde is wel dat de structuur van de preek glashelder moet zijn. ‘Als ik mijn preek uit mijn hoofd aan het leren ben en dat lukt niet, dan moet ik hem herschrijven. Want als de structuur niet goed is, is het ook voor de mensen in de kerk niet goed.’ Elke preek telt ongeveer duizend woorden en wordt volledig uitgeschreven, maar alleen de structuur en de Bijbelverwijzingen worden expliciet ingeprent. De verhalen, zo benadrukt hij, blijven immers het langst hangen.

Omgaan met kritiek

‘Hoe ga je met kritiek om?’ vraag ik, want geen enkele predikant ontsnapt daaraan. ‘Ik sla ze gewoon in elkaar,’ grijnst Pieter. En serieus: ‘Het hangt natuurlijk heel erg af van wat voor soort kritiek het is. Vaak is het een kwestie van goed doorpraten: wat bedoel je ermee en waar komt het vandaan?’

‘Ik sla ze gewoon in elkaar’

Hij geeft een eyeopener van een voorbeeld: kritiek dat hij te weinig over ethiek preekt. ‘Als ik daarover doorpraat, blijkt vaak dat we verschillen over wát ethiek is. Voor sommigen gaat het over abortus en euthanasie. Voor mij gaat ethiek ook over rijkdom, gerechtigheid, wat je in de supermarkt koopt, klimaat. Een derde van de waarschuwingen van Jezus heeft met geld te maken. In zo’n gesprek zie je dan de verbazing.’

Troost en het licht in de barsten

Het gesprek komt terug op het vertellen van de dood aan zijn jonge kinderen.

‘Je moet gewoon zeggen dat ze dood is,’ zegt Pieter resoluut. ‘Gebruik het woord ‘dood’, niet ‘overleden’. Kinderen snappen dat heel snel, want ze zien vaker een dode muis of vogel. ‘Mama slaapt’ is verwarrend, want dan kan ze weer wakker worden.’

En de beste troost voor hemzelf? ‘Ik had een jeugdvriend die me meenam om iets leuks te doen. Even de blik op een ander, focus op je toekomst – dat was heel troostvol.’ Ook zijn vriendengroep was essentieel. ‘Ze zeiden het eerste jaar: ‘We komen naar jou toe, nemen het eten mee en zetten ook de afwas in de vaatwasser.’ Dat gaf meer troost dan alle zalvende woorden.’

‘Het ontlopen van mensen in rouw heeft te maken met dat je geconfronteerd wordt met je eigen sterfelijkheid en kwetsbaarheid,’ legt Pieter uit. ‘En dat willen we niet. Maar echt mens zijn is toch ook je sterfelijkheid durven zien.’ Henri Nouwen sprak over de Wounded Healer, Leonard Cohen zingt over de barsten waar het licht binnenkomt: “There’s a crack in everything, but that’s where the light gets in.” Pieter Both sluit zich daarbij aan. ‘Het licht in de verwonding. Er is geen licht zonder die weg waar het licht binnendringt. Misschien hebben we die barsten van het leven nodig om écht te zien hoe het licht van God in je leven schijnt.’

Hij ziet steeds vaker de omgekeerde theologie van het evangelie. ‘Het bijzondere van de God van Jezus Christus is dat Hij God is juist in kleinheid. Rijken worden arm, armen worden rijk. Pas als je zwak bent, ben je machtig. God in de dood. God in het kleine. Waar zie je God? In de barsten van het leven.’

Gewoon mooi werk

Als hij dertig jaar terug tegen zichzelf zou spreken? ‘Laat je niet gek maken. Doe gewoon. Dien Jezus en doe niet alsof je zelf de Messias bent. Neem jezelf niet al te serieus. Bedenk dat het Gods werk is en dat jij daar een beetje achteraan mag sjokken. Het hangt niet allemaal van jouw inzet af.’

Hij leeft ‘echt bij de dag’, zonder grootse dromen of carrièreplanning. ‘De meeste bevrediging vind je in hetgeen wat je vandaag doet en wat succesvol is.’ Zijn jonge collega verwoordde het treffend: ‘Ik heb echt van Pieter geleerd dat dominee zijn gewoon ontzettend mooi werk is. Je hebt zoveel vrijheid, zo gevarieerd werk. En dan komt daar nog de geestelijke dimensie bij doordat het over God en mensen gaat. Wat wil je nog meer?’

Als ik het gesprek terugluister, blijft één zin uit zijn boek hangen: “De dood is van nature de meest extreme vorm van zonder God zijn.” Maar wie Pieter Both ontmoet, ervaart vooral het tegendeel: iemand die God zoekt én vindt in het gewone leven, in de kwetsbaarheid, in de barsten waar het licht binnenvalt. Een ‘prutser in de kerk’, die juist daardoor ruimte maakt voor de Geest. Zonder grote ambities heeft hij een gemeenschap gecreëerd waar je welkom bent, waar kinderen mogen gillen en waar gastvrijheid een wezenskenmerk is, geen strategie.

Misschien wil niet iedereen predikant worden omdat niet iedereen zó kan prutsen als Pieter Both.


@Wim van Putten